Kunstsubsidies zijn bedoeld voor het publiek dat wél gaat

Het cultuuraanbod groeit en de inkomsten van de kunstsector krimpen. Dat blijkt uit de eerste Nederlandse Cultuurindex Nederland (CiN) van het Cultureel Planbureau en de Boekmanstichting. Omdat de CiN de gegevens van 2013 en dus het effect van de laatste bezuinigingsmaatregelen op de kunsten niet heeft verdisconteerd, is dat niet meer dan een voorlopige analyse. Voorshands kan wel worden afgeleid dat het bezoek aan ‘goedkopere’ kunsten als film en musea floreren. Het lijkt erop dat de afname van de belangstelling behalve met vergrijzing en schuivende interesses ook samenhangt met de economische crisis die noopt tot een kleiner persoonlijk budget. Daar kan op worden ingesprongen door het cultuurbeleid, bijvoorbeeld in de Raad voor Cultuur (RvC).

Amsterdamse Stadsschouwburgdirecteur Melle Daamen is lid van die RvC. Hij schreef een geruchtmakend artikel op de opiniepagina van deze krant. Weliswaar ‘op persoonlijke titel’ maar die disclaimer is in zijn geval verwaarloosbaar: hier spreekt een man die in de positie zit om de boel op te schudden. Hij stelt essentiële vragen, die thuishoren in de discussies in de RvC: hoeveel kunst kan een land dragen. Zijn er niet te veel clubs die elkaar overlappen. Daamen waarschuwt terecht voor vluchtigheid: mikken de cultuursubsidies niet te exclusief op nieuw en jong?

Bij wijze van voorbeeld komt hij met een gedachtenexperiment om het, allesbehalve vluchtige, gezelschap Het Nationale Ballet (HNB) op te heffen, aangezien zulke voorstellingen net zo goed incidenteel uit Parijs of Sint-Petersburg kunnen worden geïmporteerd. Maar een klassiek ballet is net zo min museaal als een stuk van Shakespeare getuige bijvoorbeeld Notenkraker (1892) dat HNB ensceneerde in achttiende-eeuws Amsterdam, inclusief een sinterklaasavond. Juist zo’n ‘eigen’ Notenkraker is de reden voor subsidie.

Kunstsubsidies drukken het belang van de cultuur voor een gezonde samenleving uit, zoals er het overheidsgeld voor gezondheidszorg en onderwijs. Ze zijn bedoeld om de kunsten te laten gedijen en worden tegelijk gespendeerd ten behoeve van het publiek dat wél gaat. Wat zichzelf kan bedruipen, bedruipe zichzelf – maar gearriveerde, commercieel geslaagde cultuur staat meestal op de schouders van publiek en kunsten die het risico namen en onbekende wegen insloegen. Zonder subsidie voor HNB was er hier geen Hans van Manen geweest. Die had dan als aankomend choreograaf zijn heil wellicht in Parijs gezocht, waarna zijn faam op het conto van de Franse danswereld had gestaan, bejubeld door een Frans publiek. Is Nederland te klein om actief te zijn op wereldschaal? Die gedachte wordt door de realiteit gelogenstraft. Een fiks aantal Nederlandse kunstenaars, van fotograaf Rineke Dijkstra tot en met toneelmaker Johan Simons, zijn internationaal meer dan reçu. Maar hun standplaats is hier. Hun uitstraling is van onschatbare waarde. Voor Nederland als natie, en voor de Nederlandse aanstaande uitblinkers.