Het taboe is in elk geval doorbroken

Lodewijk Asscher zei dat er een ‘code oranje’ dreigt voor de komst van Bulgaren en Roemenen naar Nederland Gisteren legde de minister in Brussel uit waarom

Politiek redacteur

Den Haag. In Brussel kennen ze hem nu als mr. Code Orange: minister Lodewijk Asscher (Sociale Zaken, PvdA) die de alarmfase ‘code oranje’ erbij haalde om te waarschuwen tegen de negatieve gevolgen van het vrije verkeer van werknemers in Europa. Alsof het ging om hevig noodweer en dreigende dijkdoorbraak.

De aanleiding: vanaf 1 januari 2014 kunnen Roemenen en Bulgaren in de hele EU werken zonder vergunning. Het vrije verkeer is mooi als ideaal, schreef Asscher in een opinieartikel, maar het leidt ook tot verdringing op de arbeidsmarkt en uitbuiting – en haalt zo het vertrouwen van burgers in Europa onderuit.

Eurocommissaris Neelie Kroes vond dat Asscher als een ‘Hansje Brinker’ zijn vinger in de verkeerde dijk stopte: Nederland moest de eigen misstanden op de arbeidsmarkt oplossen. En de Hongaarse eurocommissaris van sociale zaken László Andor waarschuwde op zíjn beurt Nederland – voor xenofobie.

Gisteren zaten Andor en Asscher aan tafel in Brussel, voor een vergadering met de andere Europese ministers van sociale zaken en werkgelegenheid. Bij de lunch kreeg Asscher extra spreektijd. Want na de eerste boze reacties kwam er een begin van verzoening: de minister mocht uitleggen wat hij had bedoeld met zijn code-oranjeverhaal.

Vóór de vergadering, in een gesprek op zijn werkkamer in Den Haag, zei Asscher dat hij met niks nieuws was gekomen. Hij had het afgelopen jaar vaak aandacht gevraagd voor de effecten van het vrije verkeer op de Nederlandse arbeidsmarkt. „Maar in Brussel is het een heikel onderwerp en het urgentiegevoel dat ik erover deel met veel werknemers in Nederland ontbreekt.”

Er was een stevige boodschap nodig?

„Ja. Ik was bezorgd dat het nooit op de agenda zou komen. Het heeft me veel opgeleverd. Het debat is nu toegespitst op uitbuiting en verdringing en op die punten is in Brussel het meest te bereiken. Oost-Europese lidstaten begrijpen ook wel dat het niet de bedoeling is dat hun mensen worden onderbetaald of anders behandeld. En de schokreactie in Brussel had als gevolg dat men met mij in gesprek wilde gaan. Er is daar de neiging om je onder te verdelen: als je niet vóór het vrije verkeer bent, ben je tegen. Het is een grondbeginsel van de EU, maar de wereld is nogal veranderd. Als je de gevolgen van zo’n principe tot taboe-onderwerp maakt en mensen dwingt er 100 procent vóór te zijn, gaan ze het idee van de hele EU ter discussie stellen.”

U zei eerder dat het vrije verkeer in Brussel wordt gezien als ‘trofee waar je dansjes omheen moet doen’ of als ‘religie’. Werkt u door zulke beelden niet mee aan het afnemende vertrouwen in de Europese Unie?

„Ik noemde die trofee omdat D66 in een debat wilde dat ik tien minuten een adhesiebetuiging zou houden aan Brussel. Het is voor mij de meest feitelijke constatering. In heel Europa zal de discussie ook niet meer te vermijden zijn. In Duitsland en Frankrijk begint het nu, Scandinavische landen hebben al veel langer bedenkingen bij het ongebreidelde vrije verkeer dat in hun verzorgingsstaat tot spanningen leidt. Het Verenigd Koninkrijk neemt met zijn kritiek weer een aparte positie in.”

Raakte het u dat eurocommissaris Andor u in verband bracht met xenofobie?

„Ik heb hem aan de telefoon gehad en hij heeft me zijn excuus aangeboden. Hij voelde zich onheus bejegend door de media. Hij had zelf die relatie niet willen leggen.”

Belde hij u?

„Ik belde hem.”

Omdat u boos was?

„Ik wens door niemand te worden uitgemaakt voor xenofoob. Ik ben opgevoed in het besef dat het bestrijden van xenofobie een van de belangrijkste taken is die ik heb als politicus. Ik probeer mijn woorden zorgvuldig te kiezen, wat niet wil zeggen dat ik soms duidelijk ben of hard. Maar ik vind dit zo’n ongelofelijk zware aantijging. Als iemand met wie ik moet samenwerken mij daarvan beschuldigt, wil ik het uit zijn mond horen. Dat was dus niet het geval.”

In de tijd van Rutte I, met bijvoorbeeld het Polenmeldpunt, was in Brussel het idee dat Nederland zich tegen de EU keerde. Nu bent u er met uw code oranje. Logisch dat de Commissie schrikt?

„Ik heb gemerkt dat ik de relatie met mijn collega’s in andere lidstaten, waar dat nodig was, weer snel op een goed niveau heb gekregen. Ik heb de indruk dat we die periode achter ons hebben gelaten. De relatie met Polen was natuurlijk onder druk komen te staan en daarom ben ik eind oktober naar Warschau gevlogen voor een akkoord over het uitwisselen van gegevens over schijnconstructies en malafide werkgevers. We hadden dat in Brussel kunnen ondertekenen, maar ik wilde laten zien dat we de samenwerking zoeken.”

Is arbeidsmigratie zo’n groot probleem?

„Ik vind het een groot probleem. Door de verschillen in welvaart in Europa bieden mensen zichzelf aan om te werken onder het cao- of minimumloonniveau. Dat leidt tot een race naar de bodem, een neerwaartse spiraal in arbeidsvoorwaarden, het ondermijnt het draagvlak van je sociale stelsel. Je ziet het in de transport, de bouw, het schildersbedrijf. De migranten zelf verwijt ik niks. Een beter leven willen bereiken voor je gezin is een legitiem doel.”

Wordt het probleem groter na 1 januari?

„De officiële prognoses zijn laag, maar ik houd er rekening mee dat er veel meer mensen komen dan de rekenmeesters nu voorspellen. Eerdere voorspellingen bleken ook niet te kloppen.”

Als het mogelijk was om de eis van een werkvergunning voor Bulgaren en Roemenen te verlengen, zou u er vóór zijn?

„Daar zou ik voor zijn. Als je naar de Nederlandse arbeidsmarkt kijkt en je moet een afweging maken: ja. Maar als je afspraken maakt, moet je je er aan houden. Het is voor Nederland ook heel belangrijk dat anderen dat doen.”

Asscher vertelt over een voorbeeld dat hij noemt als hij op bezoek is bij collega’s in Oost-Europa: over een klooster in Brabant waar werkloze Polen bij elkaar zaten. „De ronselaars kwamen langs: ‘Wie wil er werken voor tien euro per uur?’ Te veel vingers in de lucht. ‘Wie wil er werken voor negen euro?’ Dat heeft niks meer te maken met het Europese ideaal. Dat is een bezoedeling daarvan.”

In Polen gaan ze nu de kerk gebruiken om informatie te geven over rechten en plichten in Nederland en over de Nederlandse arbeidsmarkt. „Dat heb ik afgesproken met mijn Poolse collega. In Nederland is het niet de meest effectieve manier om een boodschap breed te verspreiden. Maar wel in het zuiden van Polen, waar uitzendbureaus voor Nederland ronselen. Je kunt veel sociale ellende voorkomen.”

Op de vergadering in Brussel werd onder meer afgesproken dat er ‘ketenaansprakelijkheid’ komt voor de bouw: een bedrijf dat een klus uitvoert, is dan verantwoordelijk voor de arbeidsomstandigheden van alle ingehuurde werknemers, ook als dat via een Bulgaars bedrijf is met een vestiging op Malta. Nederland had meer sectoren willen toevoegen, maar volgens Asscher is dit een „eerste stap”.

Na de vergadering in Brussel zegt Asscher dat veel collega’s het tijdens de lunch met hem eens waren geweest: „De ene wat uitgesprokener, of in een wat meer of mindere mate, dan de ander.” De meest uitgesproken medestanders: België, Frankrijk, Denemarken. „Een taboeonderwerp is het nu in elk geval niet meer.”

Hoe nu verder? „We laten het stof even neerdwarrelen.”

    • Petra de Koning