Mensen verschillen sterk in reukvermogen

Als u vanille ruikt, ruikt uw buurman ‘iets rokerigs’ en uw nicht ruikt nauwelijks iets. Mensen verschillen sterk in hoe ze ruiken. Dat komt doordat iedereen andere moleculen in zijn neusholte heeft die geuren opvangen, concluderen Amerikaanse biologen deze week in Nature Neuroscience. Twee willekeurige individuen hebben maar 70 procent dezelfde geurreceptoren – de rest is anders.

Uit geurproeven was al duidelijk dat het reukvermogen van mensen sterk verschilt. Nu van duizenden personen het DNA afgelezen is, wordt duidelijk hoe dat komt. Het enorme genenpakket (800 genen) dat ons reukvermogen vormt, is een rommeltje. De helft van de genen voor geurreceptoren is kapot; de genen die wel werken, vertonen allerlei willekeurige mutaties. Evolutiebiologen denken dat dat komt doordat reuk voor mensen niet zo belangrijk is. Met een gebrekkig reukzintuig overleven we.

Maar al kennen we inmiddels de genen voor onze ‘geurreceptoren’ (de eiwitten in de neusholte die geuren opvangen), daaruit is nog niet af te leiden wat ieder mens ruikt. Die vraag is het onderwerp van een Amerikaans onderzoeksproject, dat nu zijn eerste inventarisatie publiceert.

De biologen kweken in het lab cellen waarin ze allerlei bestaande varianten van geurreceptoren inbouwen. Vervolgens worden die cellen blootgesteld aan geurstoffen – en hun reacties vergeleken met die van echte mensen.

Veel mutaties in geurgenen wijzigen inderdaad het reukvermogen. De Amerikanen testten bijvoorbeeld vier genvariaties voor receptoren voor guaiacol, een stof uit hars die naar rook, kruiden of vanille ruikt. Of mensen dat penetrant vinden, of juist lekker, hangt af van één gen.