Er kan bij mij maar één pagina tegelijk openstaan

De van oorsprong Syrische Alaa Abdulfatah vluchtte naar Nederland. Ze bezocht Syrië opnieuw, met een cameraman. Nu zoekt ze de balans tussen hier en daar.

Een bulldozer aan het werk bij een kolenmijn in Kentucky. 40 procent van de uitstoot van CO2 in de VS komt door kolen. Het is de meest vervuilende energiebron. Foto AFP

freelance journalist

Alaa Abdulfatah (38) vluchtte zeventien jaar geleden uit Syrië naar Nederland. Ze bracht het tot programmamanager Binnenstad van de gemeente Delft en doet haar best om het centrum van Delft fraaier en economisch sterker te maken. Er gingen jaren voorbij dat ze nauwelijks aan haar vaderland dacht. Tot de opstand daar uitbrak en ze in actie kwam. Intussen verdeelt ze haar aandacht tussen haar leven hier en haar betrokkenheid bij Syrië.

Nadat ik gevraagd was voor deze baan bij de gemeente Delft ging ik een paar keer mee naar een overleg, om te proeven van de functie. Ik werd er niet vrolijk van. Directeur zus, wethouder zo en allerlei belangengroepen die elkaar op macht beconcurreerden. Na de derde bijeenkomst moest ik beslissen. Ik fietste naar McDonald’s, waar ik zelden kom, en at een dubbele hamburger. Terug op kantoor was ik misselijk en moest overgeven. Daarna besloot ik de baan te nemen en te zorgen dat de mensen écht met elkaar in gesprek gingen. Zo is het gegaan. Na drie jaar heb ik het gevoel dat ik wel iets heb neergezet in Delft.

Ik kwam in 1996 naar Nederland als vluchteling en vond het hier meteen leuk. Alles was zo goed geregeld en mooi geordend. ‘Wat hebben de mensen hard gewerkt om hun land zo ver te brengen!’ dacht ik. Van begin af aan heb ik me welkom gevoeld.

Amuda, de stad in Syrië waar ik ben opgegroeid, staat bekend om de vele kunstenaars die er wonen. Mijn moeder was directeur van een basisschool, mijn vader taalkundig onderzoeker, dichter en schrijver. Als klein meisje werd ik vaak ’s ochtends wakker en hoorde ik hoe in onze tuin mensen vol vuur praatten over kunst en cultuur. Van hem heb ik geleerd om vrij te denken en me niet aan één waarheid uit te leveren. Voor mijn plezier heb ik kortgeleden vlieglessen genomen, en in de lucht, waar je alles zo mooi kan overzien en uit verschillende hoeken kunt bekijken, moet ik altijd even denken aan mijn vader.

Mijn eerste dag op de basisschool was dramatisch. Mijn vader bracht me weg, ik was een beetje bang maar voelde me toch veilig omdat ik wist dat mijn moeder er was, in haar kantoortje ergens in dat schoolgebouw. Maar toen ze langs mijn klas liep en ik haar huilend riep, deed ze alsof ze me niet hoorde. Later begreep ik pas waarom. Wij zijn Koerden en spraken thuis Koerdisch; in Syrië mag op scholen alleen Arabisch gesproken worden, Koerdisch was streng verboden. Mijn moeder had me alleen kunnen troosten door in het Arabisch iets tegen me te zeggen, maar die taal verstond ik niet.

Ook op andere manieren voelden we de repressie aan den lijve. Mijn oudste broer was actief in een oppositionele politieke beweging. De geheime dienst wilde hem oppakken en toen dat niet lukte hebben ze om druk uit te oefenen mijn middelste broer in de gevangenis gezet. Hij was pas vijftien en had niets met politiek te maken. Pas na zes jaar kwam hij vrij.

Ik was zeventien toen ik rechten ging studeren in Damascus. Eigenlijk had ik journalistiek willen doen, maar dat kon niet omdat ik geen lid was van de Baathpartij, de partij van Assad, de vorige president en vader van de huidige. Op een dag stond er een vreemde man bij me voor de deur, een politiek activist naar later bleek. Hij was diezelfde dag uit de gevangenis vrijgelaten en kwam nieuws brengen over mijn broer, die toen nog vastzat. We werden ter plekke verliefd, en een paar maanden later trouwden we. In 1996 vluchtte hij naar Nederland, ik ben hem achterna gereisd, zwanger en wel. Ik was 21. We hadden geen toekomst samen, dat had ik al gauw in de gaten. Zijn hart lag bij de politieke strijd en hij was al snel terug in Syrië. Ik ben gebleven.

Het verleden werd wakker

Er gingen jaren voorbij dat ik nauwelijks aan Syrië dacht. Ik ging studeren, werken, ontmoette een Nederlandse man met wie ik trouwde en kreeg twee dochters. Maar toen kwam 15 maart 2011, de dag dat in Syrië de opstand uitbrak. Er vond een soort aardbeving in me plaats. Het verleden werd wakker, het onrecht dat ik had ervaren in mijn jeugd kwam ineens allemaal boven. Ik dacht na over wat ik kon doen, wat zou mijn rol kunnen zijn? Kón ik iets doen?

Het antwoord kwam toen ik twee maanden later, op Bevrijdingsdag, een lezing over de Arabische Lente bijwoonde, waarin een journalist vertelde hoe hij vanaf zijn hotelbalkon over het Tahrirplein uitkeek en de mensenmassa aanschouwde. De afstand – letterlijk – waarmee hij sprak over mensen die opkwamen voor hun vrijheid, deed me beseffen dat hij niet wist wat het was om vrijheid te moeten missen. Niemand hier weet dat. Op dat moment voelde ik dat ik in actie moest komen.

In september van dat jaar vertrok ik met een groep mensen – Syriërs en Nederlanders – met een kleurig beschilderde caravan richting Damascus, the Route to Damascus. Het idee was om het Syrische volk op een speelse manier te laten zien dat wij, Syriërs in de diaspora – en eigenlijk de hele wereld -– met hen meeleefden. Onderweg deden we allerlei plekken aan waar iets gebeurde op dat moment. We waren in Parijs toen de Arabische Liga daar vergaderde over Syrië, in Genève toen de VN-mensenrechtencommissie daar bijeen was. We spraken met allerlei verschillende mensen, ook aanhangers van Assad. Mijn oude wens om journalist te worden, kwam hiermee een beetje in vervulling.

Met onderbrekingen duurde de reis een half jaar. In maart 2012 kwamen we bij de Turks-Syrische grens. Intussen was de oorlog opgelaaid en was het niet mogelijk om Syrië binnen te gaan. We eindigen in een vluchtelingenkamp in Reyhanli, Turkije. Het waren de heftigste dagen van mijn leven. Al die kinderen. Al die ellende. Op een gegeven moment hoorden we bombardementen en zagen we aan de overkant van de grens in de bergen mensen en kinderen rennen in de richting van Turkije. Toen was de oorlog heel, heel dichtbij.

Het heeft niet veel gescheeld of ik was me fulltime met de slachtoffers van de oorlog gaan bezighouden. Desnoods ging ik spelletjes doen met de kinderen in dat vluchtelingenkamp. Intussen heb ik een balans gevonden tussen mijn leven hier en mijn betrokkenheid bij Syrië. De laatste keer dat ik er was, heb ik mijn ouders bezocht in Amuda. Mijn vader is ziek en ik wilde hem en mijn moeder heel graag zien. Alleen via een smokkelroute was het mogelijk om het land binnen te komen. Op de terugweg ben ik samen met mijn metgezel, videojournalist Bud Wichers, ’s nachts opgepakt door de Turkse politie. Ik heb twee dagen in de gevangenis gezeten, hij kwam pas een week later vrij.

Binnenkort zou ik graag the Route to Damascus nog eens overdoen. Ik ben benieuwd hoe de mensen die ik toen sprak, nu over dingen denken. Maar als ik hier ben, ben ik hier. Mijn hoofd is als een iPad: er staat maar één pagina tegelijk open. Als iemand mailt over een scheve stoeptegel en op hoge toon eist dat de gemeente daar iets aan doet, denk ik eerst, heel even: ‘Waar maak je je druk om?’, maar al snel bedenk ik dat dit juist de dingen zijn die maken dat ons land zo mooi is.

De reportage die Bud Wichers maakte met medewerking van Alaa over de positie van de Koerden in Amuda en omstreken is te zien op http://vimeo.com/76824200

    • Brigit Kooijman