Asscher is blij, hoewel de Britten hem lieten vallen

Minister Asscher kreeg in Brussel steun voor regels tegen oneerlijke concurrentie van Oost-Europese werknemers. Niet zijn Britse bondgenoot, maar de Polen hielpen hem.

In Brussel zat gisteren een tevreden Nederlandse minister van Sociale Zaken. Al maanden waarschuwt Lodewijk Asscher (PvdA) voor de negatieve gevolgen van het vrij verkeer van werknemers. Oost-Europese arbeidsmigranten worden uitgebuit. Nederlandse bedrijven kampen met oneerlijke concurrentie, door internationale schijnconstructies met gedetacheerde, laag betaalde arbeid. En West-Europese werknemers worden verdrongen door goedkopere arbeiders uit het Oosten (‘sociale dumping’).

Gisteren namen Asscher en zijn collega’s uit andere EU-landen „een eerste, maar belangrijke stap” om hier wat aan te doen, aldus de minister.

Lidstaten mogen straks, zonder tussenkomst van de Europese Commissie, extra maatregelen treffen tegen onvoorziene misstanden op de arbeidsmarkt. In de bouw, waar detachering populair is, gaat ‘ketenaansprakelijkheid’ gelden: opdrachtgevers worden verantwoordelijk voor wanbeleid van onderaannemers. En boetes wegens onderbetaling van Oost-Europeanen kunnen straks ook grensoverschrijdend worden geïnd.

Stuk voor stuk aanscherpingen van de huidige ‘detacheringsrichtlijn’ (uit 1996) waarvoor Nederland in de afgelopen maanden hard heeft gelobbyd.

Succes dus, maar ook teleurstelling. Want nota bene het Verenigd Koninkrijk, voor Asscher een natuurlijke bondgenoot in dit dossier, liet Nederland gisteren hard vallen.

Nog geen twee weken geleden pleitte de Britse premier David Cameron in de Financial Times voor een discussie over het vrije verkeer. Dat was „uit de hand gelopen”. Asscher steunde Camerons brief publiekelijk op hoofdlijnen en Tweede Kamerleden liepen weg met de Britse premier. Maar gisteren gaven de Britten, bij de eerste kans om de daad bij het woord te voegen, niet thuis: ze steunden Nederland niet. Minister Asscher noemde dat „uitermate teleurstellend”.

Vooraf uitten het Verenigd Koninkrijk, Ierland en verschillende Oost-Europese landen bedenkingen bij de wijzigingen in de richtlijn. Dat lidstaten zelf, zonder Europese regie, maatregelen tegen vermeend misbruik mogen nemen, zien zij als een ondermijning van de interne markt. Zij voorspellen een wildgroei aan regels, juridische onzekerheid en als gevolg daarvan een afname van grensoverschrijdende ondernemingszin.

Er is ook twijfel over de intenties van landen als Nederland. „Iedereen heeft de mond vol van het tegengaan van uitbuiting”, zei een Poolse diplomaat. „Maar eigenlijk gaat het om de afscherming van de eigen markt van buitenlandse concurrentie.’’

Nederland ligt steeds moeilijker in Oost-Europa. Naast de detacheringskwestie vroeg het onlangs in Brussel aandacht voor vermeend ‘bijstandstoerisme’. De Europese Commissie oordeelde dat het bewijs dat Den Haag hiervoor heeft geleverd flinterdun is.

De Poolse onderminister van Sociale Zaken Radoslaw Mleczko vindt het kwalijk dat Den Haag de nadruk legt op problemen waarvan het onduidelijk is of ze bestaan. „Dit tast het imago van Poolse arbeiders aan”, zei hij. Niet het vrije verkeer zou ter discussie moeten staan, vindt hij, maar de gebrekkige arbeidsinspectie in Nederland.

Desondanks kreeg Asscher gisteren extra spreektijd om zijn kijk op het vrije verkeer uiteen te zetten. Niet alle collega’s hadden gereageerd, maar er waren er veel die het met hem eens waren, aldus de minister: „De ene wat uitgesprokener, of in een wat meer of mindere mate, dan de ander.” De meest uitgesproken medestanders: België, Frankrijk en Denemarken.

Asschers Poolse collega Mleczko miste de lezing grotendeels: hij werd achter de schermen gemasseerd om alsnog in te stemmen met de aangescherpte detacheringsrichtlijn. De Britten waren onwrikbaar, dus alle ogen waren op Polen gericht. Mleczko stond onder grote druk. Over detachering wordt al bijna twee jaar gepraat en met het oog op de Europese verkiezingen volgend jaar mei zit menig minister verlegen om politiek succes op het gebied van arbeidsmigratie, gezien de onvrede hierover. „We moeten aan het publiek laten zien dat Europa dit soort beslissingen kan nemen”, zei de Luxemburgse collega van Asscher.

Uiteindelijk stemden de Polen in met een compromis, na de toezegging dat de Commissie geregeld gaat controleren of lidstaten geen misbruik maken van hun nieuwe bevoegdheden en de toevoeging in de wettekst dat eventuele extra maatregelen „gerechtvaardigd en proportioneel” moeten zijn. Daarmee was een meerderheid bereikt.

Polen, vertelde Mleczko na afloop, koos eieren voor zijn geld. „Ik kan niet zeggen dat ik blij ben”, zei hij. „Maar langer wachten zal alleen maar leiden tot slechtere compromissen: de stemmen die het vrije verkeer ter discussie stellen, zijn straks misschien sterker dan ze nu zijn.”

Helemaal opgeven doet Polen nog niet: nu de lidstaten het eens zijn over de richtlijn, moet het Europees Parlement zich er nog over uitspreken. Daar willen ze misschien weer wat anders. Mleczko: „We zijn hier nog niet klaar mee.”