Sla met de vuist op tafel bij de Raad van Cultuur

Er wordt te veel kunst gemaakt, schreef Melle Daamen zaterdag. Daar zit iets in, vindt Henriëtte Post, maar hiërarchie lost dat niet op.

Individuele leden van de Raad voor Cultuur maken er de laatste tijd een gewoonte van zich op persoonlijke titel uit te spreken over het Nederlandse kunst- en cultuurbeleid. Raadslid Melle Daamen gaat daar afgelopen zaterdag in NRC het verst in. Volgens Daamen wordt er ondanks het hak- en breekwerk van het vorige kabinet nog steeds veel te veel kunst gemaakt in Nederland. Heldere keuzes ontbreken omdat de kunstensector te veel in zichzelf is gekeerd en instellingen als Kunsten ‘92 en de Raad voor Cultuur in een impasse zouden verkeren.

De vragen die Daamen hardop stelt, zijn zeker geen onzinnige vragen. Maar het zijn voor het overgrote deel geen nieuwe vragen, dus waarom op dit moment? De Raad voor Cultuur heeft zich de afgelopen jaren eerder zorgen gemaakt over de aantasting en afbrokkeling van de culturele infrastructuur dan over ongebreidelde groei. En de brief van de minister over het subsidiestelsel is pas enkele weken geleden uitgebreid in de Tweede Kamer besproken en geaccordeerd. Wat de reden ook is, hij trekt als Raadslid met deze losse voetzoeker wel een erg grote wissel op ons vertrouwen in de Raad voor Cultuur. Laat staan dat hij er de Raad, de sector en het publiek een dienst mee bewijst.

En dat is eigenlijk jammer, want er staan in zijn verhaal wel degelijk ook zaken die de moeite van het overdenken waard zijn. Zoals het ‘vertragen’: minder voorstellingen om te zoeken naar meer diepgang.

Maar Daamen analyseert uit de losse pols. Op welke feitelijke gegevens baseert hij zijn conclusie dat Nederland te klein is voor het aantal producerende podiumkunstinstellingen dat over is gebleven na de bezuinigingen? En waar komt de terloops gemaakte opmerking vandaan dat de ‘fondsen zich met moeite staande weten te houden’? In dat beeld herken ik in ieder geval mezelf niet.

Dat neemt niet weg dat het cultuurbeleid inderdaad op het breukvlak staat van grote veranderingen die het onvermijdelijke gevolg zijn van globalisering, digitalisering en vergrijzing. Zij bieden nieuwe kansen maar maken bepaalde culturele veranderingen onomkeerbaar.

Hiërarchische structuren maken steeds meer plaats voor platte(re) netwerken, waarin op uiteenlopende manieren kunst wordt gemaakt en genoten. Steeds meer mensen doen iets met kunst, maar niet alle mensen doen daarbij hetzelfde en steeds minder mensen laten zich daarbij leiden door wat deskundigen vinden. Daar gaat wat mij betreft het betoog van Daamen het meest mank. Het lijkt er namelijk op dat hij pleit voor terugkeer naar de hiërarchische rol van de grote instellingen in de jaren vijftig. Hij ziet de gegroeide pluriformiteit en kleinschaligheid niet als resultaat van een inhoudelijke ontwikkeling, maar als een betreurenswaardige aberratie van een te slap cultuurbeleid dat steviger moet kiezen. Tegelijkertijd wil hij deze keuzes nog meer naar de markt verleggen. Dat lijkt me niet perse het goede antwoord op de wereldwijde ontwikkelingen. Samenwerking van podiumkunstenaars en podia die elkaar (soms wereldwijd) vinden omdat ze bepaalde waarden delen en daar een subsidie-instrumentarium voor ontwikkelen, ligt meer voor de hand.

Ik ben het met Daamen eens dat de urgentie groot is. En ook ik constateer dat de podiumsector als ‘geheel’ zich niet en masse in het debat stort over wat er allemaal nog meer zou kunnen en moeten verdwijnen. Dat is misschien ook wel wat teveel gevraagd van een sector die de afgelopen jaren zo onder vuur heeft gelegen.

Als Daamen zijn lidmaatschap van de Raad voor Cultuur serieus neemt, dan slaat hij daar met zijn vuist op tafel en dwingt hij zijn collega’s om met hem na te denken over wat al die maatschappelijke veranderingen mogelijk voor consequenties hebben voor de rol van de rijksoverheid. Subsidieregelingen vormen in mijn ogen een afspiegeling van wat we met die (gesubsidieerde) podiumkunsten willen bereiken in de samenleving. De enorme veranderingen in het produceren en consumeren van podiumkunsten roepen de vraag op hoe wij willen dat het cultuuraanbod in ons land er over tien jaar uitziet en welke rol de overheid daarin heeft.

Er moet nog heel wat water door de Rijn voor we daar een adequaat antwoord op hebben.