Scherpe tekening van lege gokkerswereld

De speler bij De Nederlandse Opera: Aleksej Ivanovitsj (John Daszak) zet in bij het roulettespel, gadegeslagen door medespeler Blanche (Kai Rüütel) en de croupier (Morschi Franz) Foto Bernd Uhlig

Anders dan in veel Duitse repertoiretheaters, waar december ook de periode is voor lucratieve familievoorstellingen, presenteert De Nederlandse Opera deze maand een in alle opzichten prachtige productie met weinig ‘feestelijke’ moraal. De speler van Sergej Prokofjev is een scherpe, sarcastische en tragikomische tekening van de lege gokkerswereld. Alleen het slot laat ruimte voor hoop, zij het op gespiegelde manier. De speler wint, de liefde verliest. Niet alles is te koop.

Je snapt meteen waarom de Duitse toneel- en operaregisseur Andrea Breth (1952), achter wie De Nederlandse Opera al geruimde tijd aanzat, juist deze titel aandroeg. Geld, vindt zij, is de enige utopie die westerlingen rest. Maar is het wel een utopie? Zodra de welvaart vervliegt, toont de mens zijn beestachtige kant. Vanuit die optiek ensceneerde ze eerder La traviata bij de Vlaamse Opera en Kata Kabanova bij De Munt in Brussel. Gemene deler: een duister gebrek aan hoop, schoonheid en troost. Ook, en daar knelt de schoen, waar de muziek die wel biedt.

De speler is een vroege Prokofjev. Hij was 25 toen hij zijn twee uur durende en in de montage verrassend originele opera – overigens de eerste naar Dostojevski ooit – componeerde.

In ‘Roulettenburg’ kibbelen en gokken de personages de tijd voorbij. Huisleraar Aleksej koestert de waan dat het balletje hem naar een beter leven kan rollen, maar ook zijn geliefde Polina (met kracht en gemak gezongen door Sara Jakubiak), de verarmde generaal, de machtige markies en het uit principe steeds op ‘0’ inzettende omaatje zijn in de ban van het spel.

De charme van de opera, eigenlijk meer een muzikaal Konversationsstück, schuilt mede in de gelaagdheid van de personages. Zo is Aleksej, geweldig gedetailleerd gezongen door de heldere karaktertenor John Daszak, zowel een brave borst als een onbetrouwbare gokjunk. Omaatje, heerlijke rol van Renate Behle, trekt ijskoud haar eigen plan maar heeft wel degelijk ook haar warme kanten.

Prokofjev volgt hun grillen filmisch. Bezinning ontbreekt; dialogen buitelen over elkaar op een spijkerbed van blazers, piano, percussie en korte strijkersmelodieën.

Andrea Breth en haar decorontwerper Martin Zehetgruber namen dat filmische aspect als uitgangspunt voor hun zeer geslaagde enscenering. In een fin de siècle-achtige hotellobby (let ook op de kamerplanten die als overtreffende trap van wezenloosheid voortdurend door een lakei worden afgestoft) delen de personages hun beslommeringen als in een gezongen versie van levend Cluedo.

Het binnendeel van het decor spiegelt en roteert. Later ligt ook daar, onzichtbaar afgeschot, de gokzaal – als een doos van Pandora waar iedereen in wordt gezogen maar waar niemand beter uitkomt. Pas in de laatste akte zien we het casino van binnen als een luisterrijke showzaal die maximaal contrasteert met de verveloze schoenendoos waar Aleksej in terugkeert.

Voor Marc Albrecht, chef-dirigent van De Nederlandse Opera, is De speler merkbaar een attractie. De kopersectie van het vlammend spelend Residentie Orkest zou iets strakker kunnen, maar Albrecht stuwt de musici op in een scherp geschakelde opeenvolging van sferen en kleuren.

Ook de veelkoppige cast kent geen zwakke schakels. Dat de voorstelling zaterdag desondanks geen onmiddellijk succes fou was, ligt aan niemand. De razende partituur en veelvoud aan personages houden het werk van nature op afstand. Maar dat De speler de moeite van het herontdekken meer dan waard is – dat staat wel vast.

    • Mischa Spel