Column

De vertrouwde rancune

Ons Betere Ik, zoals Kees Broere (de Volkskrant) hem noemde, is nu drie dagen dood. Nog nooit heb ik de media en het publiek zo eensgezind iemand zien lauweren. Volgens Broere was Mandela „een van ons, maar toch net iets groter dan wij allemaal”. Twitter en de krantenfora liepen vol met mini-hagiografieën.

De Nederlandse rouwenden ging het niet in de eerste plaats om de politieke betekenis van Mandela. Belangrijker waren de waarden die hij belichaamde: vergeving, verzoening, geloof in het goede in de mens. Mandela liet zien dat het mogelijk is boven je ego uit te stijgen, aldus de commentaren.

Uit de reacties klonk de angst dat met Mandela ook de vergeving, verzoening en het geloof in het goede in de mens waren heengegaan. Alsof de kans op een fatsoenlijke samenleving met Mandela’s dood nu echt verkeken was.

Die angst bleek terecht. Nog geen twee dagen na Mandela’s dood maakte de hooggestemdheid op internet alweer plaats voor de vertrouwde rancune. Aanleiding: het bericht dat het VVD-Kamerlid Matthijs Huizing opstapt vanwege rijden onder invloed.

Rijden onder invloed lijkt me niet het ergste vergrijp dat je kunt bedenken. Ivo Opstelten vertelde een jaar geleden op het VVD-congres nog gierend van de lach dat hij vaak bekeuringen kreeg voor te hard rijden. Het congres lachte vrolijk mee. Te hard rijden is dus prima, maar wie onder invloed rijdt, moet weg. Waarom de integriteitsgrens precies tussen deze twee vergrijpen loopt is mij onduidelijk.

Maar dat maakte de boze menigte niets uit. De ‘loser’ Huizing had met drank op gereden en werd nu beloond met de ‘riante wachtgeldregeling’! Op Twitter werd hij uitgemaakt voor ‘droplul’ en ‘vreselijke leugenaar’. „Hoeveel wachtgeld gaat Matthijs Huizing vangen, als ‘beloning’ dat hij met zijn zatte ballen achter het stuur gekropen is?” Op de site van de Telegraaf waren de reacties nog heftiger. Huizing was een ‘absoluut misbaksel’, een ‘regelrechte stumper’, een ‘opvreter’ in een ‘profiteursfunctie’, die ‘gratis meevreet uit de ruif van de roverheid’. ‘Ik word kotsmisselijk van onze bestuurders.’

Zouden deze boze berichtentypers een paar dagen eerder nog lieve dingen hebben getwitterd over Mandela? Zouden ze ook verlangen naar minder hufterigheid? En zo ja: waarom vinden ze het dan nodig om op hun vrije zaterdagmiddag een Kamerlid te bestoken met haatberichten?

Ik vond het een bevreemdende ervaring. Het ene moment constateert men droevig dat met Mandela het fatsoen is gestorven, het volgende moment gaan de twitteraars en reaguurders weer over tot de onverzoenlijke orde van de dag. Blijkbaar is de noodzaak tot beledigen groter dan het verlangen naar prettige omgangsvormen.

Vrijdag was ik nog verbaasd dat iedereen vergevingsgezindheid en streven naar verzoening – toch vrij basale deugden – als hoogst bijzonder beschouwde. Na dit weekend begrijp ik het beter.