Cultuurindex kan beleid inspireren

„Met de cultuurindex kun je op basis van data discussiëren”, zegt indexbedenker Randy Cohen.

De American Arts Index is voor de Boekman Stichting en het Sociaal en Cultureel Planbureau het grote voorbeeld geweest voor hun Cultuurindex. Een gesprek met Randy Cohen, directeur en initiatiefnemer van American for the Arts.

In 2010 startte het Baltimore Symphonic Orchestra met de Rusty Musicians. Iedereen die bladmuziek kan lezen en een instrument bespeelt, kon zich aanmelden om een keer mee te spelen met het Baltimore Symphonic Orchestra. Het orkest was angstig of wel iemand zou durven bellen. De eerste dag meldden zich 450 mensen. De zaal zat een paar maanden later vol, tickets om de buurman te kunnen zien spelen kostten maar 12,50 dollar. Het orkest, dat sterk had te lijden onder teruglopende bezoekersaantallen, besloot tot de actie omdat ze door de Amerikaanse cultuurindex hadden gezien dat weliswaar cultuurbezoek afneemt in de VS, maar cultuurparticipatie juist toeneemt. Dit jaar organiseerde het orkest de Rusty Musicians voor de vierde keer.

Voor Randy Cohen is dat een voorbeeld waar de Amerikaanse cultuurindex, die hij in 2008 startte en die terugloopt tot 1998, toe kan leiden. Door de bundeling van statistieken laten culturele instellingen en overheden zich inspireren tot een ander beleid. „Die index zelf is de kop waar alle media iets mee kunnen en zo kregen we ook dit jaar aandacht van kranten als The New York Times, The Washington Post en de Los Angeles Times”, zegt hij tijdens een bezoek aan de Boekman Stichting in Amsterdam.

Met de laatste index kon Americans for the Arts laten zien dat de huidige recessie al vijf jaar impact heeft op de culturele sector. En doordat de Amerikaanse index teruggaat tot 1998 is zichtbaar dat de cultuursector meeademt met de economie. Zo daalde de index aan het begin van deze eeuw bij een recessie om daarna in de haussejaren weer te stijgen. Tot in 2008 de nieuwe crisis uitbrak. De teruggang van de culturele sector is in de VS onder meer te zien in een afname van banen, maar ook door een sterke daling van de filantropie en dus minder particuliere geldstromen voor de kunstinstellingen.

78 indicatoren zijn in de Amerikaanse index ondergebracht: over kunstdeelname, financiën, aanbod, concurrentie. Dat is 1 minder dan in Nederland. Die indicatoren zijn voor Cohen belangrijker dan het ene indexcijfer. „In de cijfers die eronder liggen kun je trends onderscheiden”, zegt hij. „Die kunnen discussie uitlokken. Maar dan op basis van data, en niet op basis van emoties of vooronderstellingen zoals meestal gebeurt.” Daarmee kunnen valse suggesties worden vermeden. Cohen wijst op het aantal kunstinstellingen dat in de VS wel is gestegen. „Dat zou kunnen wijzen op een gezond en ondernemend klimaat. Maar als je daar tegenover kunt zetten dat 43 procent van de kunstorganisaties in 2011 op het belastingformulier een verlies heeft ingevuld, dan ziet dat er minder rooskleurig uit. En kun je ook zeggen dat er een overaanbod is.”