Christenkoning in een joods rijk

Ooit was Arabië een lappendeken van christelijke en joodse rijkjes. In Jemen is nu een reliëf van een christelijke koning gevonden.

Relief van de laatste christenheersers van Arabië, ca. 530 na Chr.

In 2008 dook hij op: een van de laatste christenkoningen van Arabië. Een team archeologen van de Universiteit van Heidelberg vond in Zafar, 150 kilometer ten zuiden van de Jemenitische hoofdstad Sana’a, het levensgrote staande reliëf van een man. Hij draagt een kroon, een vorstelijk gewaad, en in zijn handen heeft hij de tekenen van koninklijke waardigheid: een zwaard en een bundel twijgen. De letters op het reliëf zijn in musnad, Oud Zuid-Arabisch.

Wie was deze vorst? Waar moeten we hem plaatsen in de roerige en grotendeels in nevelen gehulde geschiedenis van Zuid-Arabië? Dateren van het stenen reliëf met de radiokoolstofmethode is niet mogelijk, bij gebrek aan organisch materiaal. De leider van het opgravingsteam, archeoloog Paul Yule, doet een fascinerende suggestie in het decembernummer van Antiquity.

Zafar was in de late oudheid het machtscentrum van Himyar, een stammenfederatie die in haar hoogtijdagen heerste over een groot deel van het Arabische schiereiland. Himyar wordt al vermeld in Romeinse bronnen uit de eerste eeuw AD, onder meer in de Naturalis Historia van Plinius de Oudere. De Arabische stammen van Himyar konden hun macht aan het eind van de derde eeuw uitbreiden dankzij de rivaliteit tussen het Oost-Romeinse (Byzantijnse) Rijk en het Sassanidische Perzië.

De nomadische bevolking van Himyar was polytheïstisch (‘heidens’), maar uit inscripties blijkt dat de elite tegen de vierde eeuw in meerderheid de joodse religie aanhing. Intussen vestigden zich ook christelijke handelaren uit Aksum in het gebied. Dat koninkrijk aan de overzijde van de Rode Zee, in het noorden van het huidige Ethiopië, was onder koning Ezana (ca. 320-360) overgegaan tot het christendom. De christelijke rijken Byzantium en Aksum wedijverden om invloed in het door zijn vruchtbaarheid en strategische ligging welvarende Himyar. De Byzantijnen ondersteunden kersteningspogingen in Himyar, maar zij tvonden de joodse aristocratie tegenover zich.

In 523 viel Aksum Himyar binnen om het na anderhalf jaar oorlog in 525 te onderwerpen. Omstreeks 541 werd de hoofdstad van Himyar, intussen een vazalstaat van Aksum, verlegd naar het huidige Sana’a en werd Zafar ontruimd.

Volgens Paul Yule verbeeldt het reliëf van de gekroonde man in Zafar een christelijke koning van Himyar, die een marionet was van Aksum, ergens tussen 525 en de ontruiming van Zafar in 541. Hij voert een aantal argumenten aan.

Het reliëf bevindt zich op de binnenplaats van een stenen gebouw, kennelijk een paleis. Aan de bovenkant staat in Oud-Arabische letters ‘wadd is vader’. Wadd is een voorchristelijke en zeker pre-islamitische term in Oud-Arabisch voor godheid. Yule leest hierin een waarschuwing tegen wangedrag in het aangezicht van God. Dit lijkt een ‘heidense’ tekst, maar kenners van het Oud-Arabische schrift zeggen dat hij niet ouder is dan de vijfde eeuw. En hij is elders in Zafar aangetroffen in combinatie met joodse en christelijke formules .

Het uiterlijk van de afgebeelde man geeft wat meer houvast bij de datering. Hij draagt een rijk geborduurd gewaad, zoals gedragen door de Byzantijnse elite. Zijn snor en haardracht doen denken aan portretten op Byzantijnse en Lombardische munten. Zijn kroon, daarentegen, lijkt sterk op die van de koningen van Aksum, zoals afgebeeld op munten uit de vierde tot zesde eeuw. Hij is blootsvoets, een teken van vroomheid en onderwerping, zoals op afbeeldingen van koptische heiligen. Yule citeert Exodus 3:5: ‘Doet uw sandalen uit, want de plaats waar u staat, is heilige grond’.

Deze man, concludeert Yule, draagt de symbolen van koninklijke waardigheid en vertoont stijlkenmerken die een mengeling zijn van Aksum en vroeg Byzantium. Hij ziet hem daarom als een marionettenkoning van laat Himyar en als één van de laatste christenheersers van Arabië vóór de komst van de islam.