Achter de geraniums zitten

et is een uitdrukking die je bijna dagelijks kunt horen of lezen: achter de geraniums zitten. Opmerkelijk genoeg is de geschiedenis van deze zegswijze nooit goed in kaart gebracht.

Volgens de Grote Van Dale is de plantennaam geranium in 1861 voor het eerst in het Nederlands opgetekend. Volgens het genootschap Onze Taal is de uitdrukking achter de geraniums zitten voor het eerst te vinden in de Leeuwarder Courant van 1937: „Men moet ons maar eens duidelijk maken waarom men een beter christen is als men Zondagmiddag achter zijn geraniums in de huiskamer blijft zitten.”

Doordat er inmiddels veel digitale bronnen zijn bijgekomen, is het niet moeilijk om deze dateringen te vervroegen. Zo duikt de plantennaam geranium niet in 1861 voor het eerst in het Nederlands op, maar bijna honderd jaar eerder. Op de grote markt in Groningen waren al in 1764 „geranium van verscheiden zoorten” (sic) te koop, meldde Opregte Groninger Courant indertijd, samen met diverse andere „uitheemsche gewassen”.

In de decennia daarna werd de geranium langzaam populair. Men zette hem bij voorkeur in de vensterbank, binnen of buiten het raam.

Tegenwoordig denken we bij achter de geraniums zitten vooral aan passiviteit. Het is het eindstation van de westerse mens: je bent oud, werkloos of gebrekkig en je kunt of wilt alleen nog een beetje naar buiten turen.

Aanvankelijk was dit beeld veelzijdiger. In de oudste bron, de Vaderlandsche Letteroefeningen van 1841, is sprake van de gewoonte om de voormiddag, gezeten „achter een opgeschoven raam en eenige bloeijende geraniums en maandrozen”, koutend te korten.

Gewoon veel kletsen achter de geraniums dus.

Bijna alle vroege vindplaatsen komen uit literaire tijdschriften en daarbij wisselt het perspectief. Zo lezen we in de Vaderlandsche Letteroefeningen van 1850: „Maar uit de lage ramen van de lage huizen ziet de voorbijganger, tusschen witte gordijnen achter geraniums en balsaminen, genoegelijke nieuwsgierige gezigten naar buiten gluren – grijsaards, oudjes, kinderen, katten en schoothondjes, allen gretig naar iets nieuws.”

Het verbindende element is hier nieuwsgierigheid, niet ouderdom, geklets of passiviteit.

Vanaf het begin van de 20ste eeuw komen we steeds meer mensen achter geraniums tegen, ook in kranten. Het gaat om mannen en vrouwen, ze kunnen jong of oud zijn, ze dromen soms weg en het is vaak zondag of zondagavond. Soms luisteren ze alleen naar het straatgedruis maar vaker kijken ze ook naar buiten.

Pas vanaf circa 1920 werd dit als een bekrompen, kleinburgerlijke bezigheid gezien. Zo schreef de journalist D. Hans in 1924: „Vooral in ons volk, waar zooveel menschen achter de lage horretjes en knusse geraniums van hun bekrompen étage zitten, en dan niet verder zien dan het smalle straatje van de eigen groep of de eigen partij, komt men er in de politiek niet gauw toe, de grootheid van tegenstanders te erkennen.”

Het idee dat je in de eerste plaats passief (of depressief) moet zijn om achter de geraniums plaats te nemen, dateert bij mijn weten pas van de jaren tachtig, toen het een ideaal werd om je leven te eindigen als krasse knar.

Taalhistoricus Ewoud Sanders schrijft wekelijks op deze plek over taal.

    • Ewoud Sanders