Werkloos maar genoeg te doen

Arbeidssocioloog Fabian Dekker schreef een boek over jonge werklozen. Ze willen zichzelf niet als verloren zien. In tegenstelling tot de ‘verloren generatie’ van de jaren 80.

Ze zaten er verslagen bij, de vijftig jongeren in het VPRO-programma Tijdverschijnselen in 1982. Ze spraken in de uitzending onder meer over politiek, studie, werk en zelfdoding. De jeugdwerkloosheid bedroeg dat jaar 15,4 procent. De jongeren waren somber over hun toekomst, toonden weinig strijdlust en voelden zich slachtoffer van de crisis.

„Ik ga de uitzendbureaus langs waar ik ingeschreven sta. Hebben ze werk, dan ga ik werken. Als er geen werk is, wat moet je dan doen?”, zei de toen 20-jarige Wander Bramer. „Als er niemand opbelt lig ik tot twaalf uur in bed ofzo. ’s Avonds ga ik laat naar bed, verder doe ik helemaal niks.”

Of de 15-jarige Jolanda de Nooyer, die van school ging omdat ze geen zin meer had. „Waar deed ik het allemaal voor? Je zit er wel, je doet je werk. Maar als je klaar bent, ben je werkloos.”

Neerslachtigheid, doemdenken en uitzichtloosheid overheerste. De ‘no future-generatie’ of de ‘Generatie Nix’, zo werden deze jongeren genoemd.

De omstandigheden zijn nu ongeveer hetzelfde: het is crisistijd, de jeugdwerkloosheid is hoog (16 procent) en een diploma is geen garantie voor een baan.

Maar de instelling van de huidige groep jeugdwerklozen is compleet anders. Ze zijn veel positiever en weerbaarder dan de jongeren dertig jaar geleden. Dat merkte arbeidssocioloog Fabian Dekker (35) bij zijn onderzoek voor zijn boek Bankzitten, waarvoor hij 35 jeugdwerklozen interviewde. Het boek wordt donderdag gepresenteerd. De rode draad is de vergelijking met de crisis begin jaren tachtig.

Dekker schreef het boek omdat er in de media veel wordt geroepen over jeugdwerklozen, terwijl ze zelf niet aan het woord komen, vertelt hij in Grand Café Loos in Rotterdam. De positie van jongeren op de arbeidsmarkt is kwetsbaar. Ze missen ervaring, waardoor ze moeilijk aan een eerste baan komen. En als jongeren al een contract krijgen, is het vaak een flexcontract. En dat biedt weinig zekerheid. Ook komen jongeren minder makkelijk in aanmerking voor een uitkering.

‘Generation jobless’ of de ‘verloren generatie’ wordt de huidige groep jeugdwerklozen genoemd. Volgens Dekker vallen de problemen mee. „Slechts 16 procent is werkloos, van wie meer dan de helft nog studeert. Moet je dan die andere 84 procent als verloren beschouwen?” Maar we staan wel op een kantelpunt, zegt hij. „Als we nu blijven zeggen: ja het is een probleem zonder duidelijke keuzes te maken, dan denk ik niet dat we er komen. Dan krijg je op den duur sociale onrust en criminaliteit.”

Wat is het verschil met dertig jaar geleden?

„Het was toen hel en verdoemenis. Het was een en al cynisme, zwartgalligheid, de wereld zou vergaan. De jongeren zeiden toen in onderzoeken: ik heb het idee de grip op mijn leven te verliezen, ik heb het niet meer in de hand, ze zaten tegen het depressieve aan. De huidige groep jeugdwerklozen die ik sprak, blijft de moed erin houden, ondanks de lastige situatie. Dat hoopgevende wordt van hen verwacht, zeggen ze. Wat betreft zelfredzaamheid is het publieke debat wezenlijk anders vergeleken met de jaren tachtig: jij bent zelf verantwoordelijk om aan je vaardigheden te werken. Nederland schuift steeds meer op naar een Amerikaans model. Productief optimisme als norm.”

De veranderingen in het onderwijs spelen ook een belangrijke rol, schrijft u.

„De jongeren die ik sprak zijn eind jaren negentig opgegroeid in de periode dat het nieuwe leren ontstond – met het studiehuis. Sindsdien wordt er een groot accent gelegd op zelfredzaamheid. Je ging zelf of in groepsverband opdrachten doen. De docent was geen lesgever meer, maar begeleider. Het individu kwam centraal te staan. Dat zie je nu terug bij deze generatie.”

Hoezeer worden de carrières van deze jonge werklozen beschadigd?

„Natuurlijk krijgen ze een deuk. Uitgaan, kleding kopen, gezinsvorming, een koopwoning, het wordt allemaal moeilijker. Hun leven staat even stil, zeggen ze. Maar ze willen zichzelf niet als verloren zien – of het idee hebben dat ze falen. Uiteindelijk vechten ze zich er wel doorheen.”

Hoe doen ze dat?

„Ze zoeken elkaar op. Je ziet tijdelijke netwerken ontstaan waar jongeren elkaar proberen te helpen, bijvoorbeeld via netwerkgroepen zoals DeBroekriem. Dat is ook de reden dat jongeren zich niet meer vertegenwoordigd voelen door de vakbonden. Ze organiseren zich het liefst rond één probleem. Is dat opgelost, dan vallen ze weer uit elkaar. Het zijn fluïde community’s.”

Wat kan deze groep van jeugdwerklozen zichzelf verwijten?

„Niets. Met hun werkethiek zit het goed, alle 35 jongeren die ik sprak zeiden: ik wil werken. In de jaren tachtig werd gezegd: er is geen werk, jammer, dan blijf ik op de bank liggen.”

Stel dat je net bent afgestudeerd aan de opleiding communicatiewetenschappen en je wilt aan het werk.

„Dan heb je een probleem. De sleutel is: zorg voor een netwerk. Daar bedoel ik niet mee: solliciteer bij jan en alleman. Leg contacten op netwerkbijeenkomsten, borrels, maak deel uit van discussieplatforms. Mail potentiële werkgevers, vertel over je opleidingen, werkervaring en interesses. En dat je graag een baan binnen hun bedrijf wilt om die en die reden. Het klinkt heel triviaal, maar ik vraag me af of het voldoende gebeurt. Afgestudeerden moeten zich beter voorbereiden op de arbeidsmarkt.”

We zitten middenin een internationale crisis waar de Nederlandse jongeren ook slachtoffer van zijn. Wat zijn de oplossingen tegen jeugdwerkloosheid?

„Je moet op drie niveaus aan de knoppen draaien, dan wordt het probleem tembaar. Eerst internationaal: de staatsschulden zullen voor een deel kwijtgescholden moeten worden. Bouw een Europese solidariteit in, zodat landen waar het goed mee gaat de schulden opvangen van landen waarmee het minder goed gaat. Op nationaal niveau, in Nederland, moeten we niet zo grof bezuinigen op reïntegratiegelden voor de begeleiding naar werk. En op regionaal niveau moet je blijven investeren in startersbeurzen, werkgelegenheidsprojecten en premiekorting voor werkgevers als je jeugdwerklozen in dienst neemt. Maar het begint allemaal bij de aanpak van de internationale crisis.”

Het Wereld Economisch Forum waarschuwde onlangs voor de gevolgen – zoals criminaliteit en sociale onrust – als de jeugdwerkloosheid te lang hoog blijft. Hoe reëel is die dreiging in Nederland?

„Als de werkloosheid aanhoudt en de bezuinigingen op reïntegratiegelden doorzetten, ben ik er van overtuigd dat dit een voedingsbodem voor onrust zal worden. Dat geldt vooral voor lager opgeleide jongeren, zonder startkwalificatie. Een gevaarlijke cocktail is: economische neergang, oplopende werkloosheid, een terugtrekkende overheid en een verkeerde vriendenkring. Nu hou je alles relatief goed binnen boord in Nederland. Maar als het zo doorgaat dreig je de groep lageropgeleiden te verliezen. Het is wat genuanceerder dan: de samenleving valt uit elkaar. Dat is flauwekul. Maar je moet wel opletten dat je die onderkant erbij houdt.”

Bankzitten. Jeugdwerkloosheid in Nederland, Boom Lemma uitgevers, 2013, 145 pagina’s, 19,95 euro. Komt uit op 12 december

    • Steven Verseput