Poedeldiplomatie in het Midden-Oosten

Nederland wil Israël en Palestina gelijk behandelen. Maar Israël blijkt in de praktijk gelijker dan Palestina.

Het is er nooit van gekomen: de oprichting van de Nederlands-Israëlische Samenwerkingsraad. Het had op 7 juni 2012 in Tel Aviv de bezegeling moeten worden van de meest uitgesproken buitenlands-politieke boodschap van het eerste kabinet-Rutte. Het werd echter een verboden onderwerp toen het minderheidskabinet van VVD en CDA – dat regeerde dankzij gedoogsteun van de PVV – enkele maanden eerder voortijdig ten val kwam.

De samenwerkingsraad werd beschouwd als té controversieel voor een demissionair kabinet. Het bezoek van een zware kabinetsdelegatie met minister-president Rutte, vicepremier Verhagen en minister van Buitenlandse Zaken Uri Rosenthal ging niet door. Dit weekeinde onderneemt Nederland een nieuwe poging met een bezoek dat de inmiddels gewijzigde politieke verhoudingen in het landsbestuur weerspiegelt.

Want niet alleen Israël wordt aangedaan, maar ook Palestina. En niet alleen in Israël, maar in beide landen zal de samenwerking een vaste vorm krijgen. De aanvankelijke opzet, een regelmatig bij elkaar komende samenwerkingsraad, is vervangen door een vrijblijvender forum in zowel Israël als Palestina.

Als het om het Midden-Oosten gaat, zweert dit kabinet bij de zogeheten ‘evenwichtige benadering’, oftewel de ‘even handedness’. Iets dat het vorige kabinet, met zijn volgens critici te eenzijdige aandacht voor Israël, niet deed.

Maar is ook werkelijk sprake van evenwichtigheid? „Poedeldiplomatie”, noemen de wetenschappers Paul Aarts en Jort Statema van de Universiteit van Amsterdam het Israël-beleid van het huidige kabinet. In een vorige maand verschenen artikel in het maandblad Socialisme & Democratie geven zij het Tweede Kamerlid Han ten Broeke (VVD) gelijk. Die stelde een jaar geleden dat het verschil tussen het oud-Kamerlid Timmermans en minister Timmermans groter zal blijken te zijn dan het verschil tussen minister Rosenthal en minister Timmermans. Volgens de twee auteurs wil de VVD het pro-Israëlbeleid van het eerste kabinet-Rutte voortzetten en biedt Timmermans hier nauwelijks tegenwicht aan.

Een soortgelijk verwijt kwam van de PvdA’er Desirée Bonis, die de Tweede Kamer deze zomer gedesillusioneerd voortijdig verliet omdat zij zich beknot voelde. Zij had „geen enkele ruimte ervaren” om op het terrein van het Midden-Oosten „de vigerende lijn enigszins bijgesteld te krijgen”, schreef zij op de opiniepagina van deze krant.

Het beleid van Nederland jegens Israël wordt, zeker vergeleken met andere Europese landen, nog altijd gekenmerkt door voorzichtigheid. Waar eind vorig jaar een meerderheid van de Europese landen zich tegen de wil van Israël voor een statusverhoging van de Palestijnen bij de Verenigde Naties uitsprak, onthield Nederland zich van stemming.

Illustratief was ook de zuinige reactie van minister Timmermans op een eerder dit jaar uitgebracht rapport van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) over het Midden-Oosten. De aanhoudende bouw van nieuwe nederzettingen in de bezette gebieden betekende volgens de Adviesraad dat „in elk geval” niet moest worden gewerkt aan een opwaardering van de samenwerkingsrelatie met Israël. Timmermans ging er niet op in.

„De lijn van de AIV is consistent”, zegt voorzitter Frits Korthals Altes van de Adviesraad desgevraagd. De oud-minister van Justitie, tevens erelid van de VVD, erkent dat in zijn denken over Israël de laatste tijd wel „een verschuiving” is opgetreden. Als Nederland het nederzettingenbeleid afwijst, moet het daar ook consequenties aan verbinden, vindt hij: „Practice what you preach. Maar dat gebeurt niet. Omdat men uiteindelijk niet ten nadele van Israël wil optreden.”

Dat is precies de politieke werkelijkheid waar minister Timmermans mee te maken heeft. Voor harde standpunten tegenover Israël die hij zelf als Kamerlid heeft bepleit, is gewoonweg geen parlementaire meerderheid. Zoals hij het vorige maand in de Eerste Kamer verwoordde: „Ik heb te maken met een bepaalde politieke realiteit. Ik heb rekening te houden met het feit dat er altijd een potentiële Kamermeerderheid is die vindt dat ik te veel de Palestijnse kant op buig.”

Het wordt ongetwijfeld een rimpelloos bezoek aan Israël.