Nog een enquête? Ja, graag! De parlementaire enquête is door de Tweede Kamer herontdekt

Na onthullingen over de omstreden werkwijze van de AIVD wil een deel van de Tweede Kamer een parlementaire enquête. Het zou, na de corporaties en de Fyra, de derde enquête op hetzelfde moment zijn. Een unicum. Maar hoeveel zin hebben enquêtes?

Door onze redacteur Oscar Vermeer

Bijna honderd jaar hield de Tweede Kamer – op één uitzondering na, direct na de Tweede Wereldoorlog – geen enkele parlementaire enquête. Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw dook er af en toe eentje op. En nu zijn er zelfs twee tegelijk: een naar de woningcorporaties en een naar de probleemtrein Fyra, die binnenkort begint. En mogelijk komt er nog eentje bij; de afgelopen week pleitten D66 en SP voor een enquête naar de opsporingsmethoden van de inlichtingendienst AIVD.

De parlementaire enquête lijkt aan een nieuwe bloeiperiode begonnen. Dat komt doordat de Tweede Kamer kritischer is geworden, zegt Sandor Loeffen, universitair docent staatsrecht aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij promoveerde deze zomer op het onderwerp parlementair onderzoek. Loeffen: „Lang werd de parlementaire enquête als een verkapte motie van wantrouwen tegen het kabinet gezien, dus gingen de coalitiepartijen nooit akkoord. Maar het is herontdekt.”

De parlementaire enquête is het belangrijkste onderzoeksmiddel van de Kamer. In tegenstelling tot de vaker voorkomende parlementaire onderzoeken mogen Kamerleden bij een enquête onder ede verhoren. Getuigen zijn verplicht te komen. Ook de Eerste Kamer mag een enquête houden, maar deed dat nog nooit. Wel werd erin 2011 voor het eerst een parlementair onderzoek gehouden, naar de privatisering van overheidsbedrijven.

    • Oscar Vermeer