Met de psychologie gaat het goed, maar we missen het overzicht

Miedema en de zijnen willen met hun manifest ‘Science in transition’ een hervorming van het wetenschappelijk bedrijf dat uit de hand is gelopen door publicatiedruk, te sterk doorgevoerd specialisme, en te weinig ‘gesprekken met de samenleving’. Dit alles lijkt mij nogal overdreven. Ik ben het geheel eens met Piet Borst die in de Wetenschapsbijlage (16&17 november) meent dat door dit manifest ten onrechte de wetenschap als geheel in een kwaad daglicht wordt gesteld. Wat in de leerboeken staat is nog steeds waar en er is nog steeds een ‘robuust eindproduct’.

Hoe is het daarbij gesteld met de psychologie? De aldaar bestaande gevaren lijken mij van een andere orde dan die welke door de Miedema-groep worden genoemd. Je zou misschien beter van ‘valkuilen van de moderne psychologie’ kunnen spreken.

Als ik vanuit de optiek van een gepensioneerde de huidige stand van zaken in onderwijs en onderzoek in de psychologie vergelijk met die van de jaren zeventig, toen ik nog een prille medewerker was, zijn er grote sprongen vooruit gemaakt. Als er toen een artikel van een medewerker geaccepteerd was door een international tijdschrift vierde als het ware de hele faculteit feest. Niet alleen in het aantal en de kwaliteit van publicaties, maar ook met de organisatie van het onderwijs en de begeleiding van promovendi is vooruitgang geboekt. En (misschien) ook met de inhoud van het vak psychologie zelf.

Maar ik moet toegeven dat ik over dat laatste niet helemaal gerust ben. Er heeft vooral een enorme schaalvergroting plaatsgevonden, met een forse ruk richting neurowetenschappen. De psychologie ontwikkelt zich tot een echte ‘harde’ wetenschap. Maar zijn wij daarin niet teveel doorgeschoten? De schaalvergroting van de psychologie blijkt vooral uit de groei van subdisciplines en onderzoekgroepjes.

Een gevaar zou hier kunnen liggen in het verloren gaan van het overzicht van en samenhang tussen de deelgebieden. ‘Generalisten’ van de oude stempel treft men, op een enkele uitzondering na, niet meer aan, en ‘breedheid’ lijkt nauwelijks meer een aanbeveling bij een sollicitatie of subsidieaanvraag.

Sterkere specialisatie gaat bovendien gepaard met een sterke gerichtheid op de actualiteit: pakweg de wetenschappelijke theorievorming en publicaties van de laatste twintig jaar. Hierbij dreigt een breuk met het verleden, en het verdwijnen van historische continuïteit van het vakgebied.

Elke nieuwe generatie van onderzoekers zal daardoor de neiging hebben centrale thema’s uit de psychologie weer fris te benaderen. Daarbij worden de theoretische vraagstellingen in de psychologie nooit écht opgelost, maar ‘gerecycled’: voorzien van een nieuw jargon, en/of met nieuwe methoden aangepakt. Hiermee de indruk wekkend dat onze promovendi bijna altijd met baanbrekend onderzoek bezig zijn.