Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Marcel Dijken

Je hoort weleens van ouders die geen interesse tonen in de belevingswereld van hun kinderen. Bij ons was het andersom. Ik had lange tijd geen idee van het werk van mijn vader. Iets op het Provinciehuis in Arnhem, iets met dijken en wegen. Als hij er over wilde vertellen deed ik demonstratief vingers in mijn oren. Iedere morgen vertrok hij rond half acht op de fiets, de haren in een keurige scheiding, een lange jas over het pak. Aktentas onder de snelbinders. Tien uur later kwam hij hetzelfde weer terug.

„Zeker weer niets meegemaakt?”, zei ik dan tegen hem.

Ik was niet de allerleukste puber.

De sinterklaasstorm die over het land raasde bracht me terug naar mijn jeugd toen het een keer net zulk onstuimig weer was. De dijken bij de grote rivieren hadden het begeven. Mijn vader en ik gingen kijken bij Sporthal De Dumpel in Velp waar vrijwilligers zandzakken vulden. Het wassende water van de IJssel had bezit genomen van kelders, tuinen en straten. In de polder verderop waren twee boerderijen verdwenen.

„Foetsie”, zei een buurtbewoner. „Kopje onder.”

Terwijl ik daar vurig stond te hopen dat Velp, dat kutdorp, zou worden weggespoeld en vergeten – en ja, daar mochten wat mij betreft best wat slachtoffers bij vallen – keek mijn vader peinzend naar het zwarte water.

„Zouden we het dan toch verkeerd gezien hebben?”

„Wat?”, vroeg ik.

„Nou, met die dijken...”

Hij bleek als ambtenaar op vergaderingen altijd fel tegen dijkverzwaringen te zijn geweest. Hele rapporten had hij erover geschreven.

„Nee, jullie hebben het goed gezien!” stelde ik hem gerust. „De hele regio spoelt weg! Goed gedaan, complimenten.”

Thuis ging mijn vader meteen naar zijn werkkamer, collega’s bellen.

Mijn moeder vroeg of ik op wilde houden met lachen.

„Als Velp wegspoelt is dat niet zo leuk. Voor papa.”

„Gelukkig, de televisie doet het nog”, relativeerde mijn broer.

Velp spoelde niet weg, natuurlijk niet, maar ‘een ramp’ was het wel, ook al waren er nul slachtoffers en focusten de media op zwaarder getroffen gebieden.

Op verjaardagen ving ik daarna weleens verhalen op over hoe ze, de ambtenaren, boeren in dorpshuizen moesten uitleggen dat ze land af moesten staan in ruil voor bredere dijken. Ze hadden aktentassen waarin een ijzeren plaat was verwerkt, daar konden ze dan onder schuilen.

Verschrikkelijk werk, aldus mijn vader.

„Niemand laat ons uitpraten, niemand luistert.”

Zoals het er thuis ook aan toeging dus.

    • Marcel van Roosmalen