‘Ik maak saaie kleren’

Modeontwerper Alexander van Slobbe had wereldwijd succes. Nu werkt hij tevreden in Friesland. „Ik kan zo tot mijn tachtigste doorgaan.”

tekst Milou van Rossum

Zaterdagmiddag, bijna vijf uur. Er zijn geen klanten meer in de winkel van Alexander van Slobbe in de Herenstraat in Amsterdam. Maar de ontwerper kan zijn breiwerk – dat houdt zijn handen bezig tijdens ledige momenten; hij is gestopt met roken – nog niet inpakken en de deur sluiten. Straks komt nog een vaste klant. Van Slobbe (54) heeft zo’n honderd „fans” van wie er ongeveer 25 elk seizoen terugkomen. „Ik weet precies wat ze in de kast hebben. Soms zeg ik: ‘Hoe staat het met je broeken?’”

Het is 25 jaar geleden dat Van Slobbe, een ambitieuze, aan de academie van Arnhem opgeleide modeontwerper, besloot dat hij genoeg had van het werken in de confectie. Patronen die per fax naar het Verre Oosten gingen en terugkwamen als al even tweedimensionale kleren. Nederlandse mode moest méér kunnen zijn dan dat.

Orson & Bodil noemden Van Slobbe en zijn toenmalige partner (die na een paar seizoenen wegging) hun merk. Niet alleen was het het eerste Nederlandse label dat zich tijdens de Parijse modeweek presenteerde, de modernistische, sobere en ogenschijnlijk simpele vrouwenkleren luidden een nieuwe, typisch Nederlandse stijl in. Geen kleren die verwijzen naar een al bekende stijl of het verleden, maar abstracte, onderzoekende, intellectuele mode. Rechtvallende, minimalistische jurken bijvoorbeeld, en eenvoudige tops met een subtiel gerimpelde V-hals als enig frivool element.

Op het hoogtepunt, begin jaren negentig, lag Orson & Bodil in „dertig tot veertig” goede winkels over de hele wereld. Maar dat was nog niks vergeleken met het succes dat hij had met zijn wat uitbundigere en jongere mannenmerk So, dat hij in 1993 begon. Vooral in Japan werd dat zo’n hit (twintig eigen winkels, tientallen andere verkooppunten ) dat hij al snel met zijn vrouwenmodelabel moest stoppen.

In 2003 verkocht hij So aan zijn Japanse investeerder. „Het werd me te groot, ik werd er zenuwachtig van.” Als veertiger vond hij zichzelf ook te oud om „elk seizoen tachtig T-shirts te ontwerpen voor achttienjarigen”. Hij blies Orson + Bodil weer leven in, al was het ditmaal met een plusje in plaats van een en-teken. Hij ging „terug naar de stof”.

Rijksmuseum

Tien jaar later is zijn bedrijf kleiner dan ooit. Zijn kleren worden behalve in zijn eigen winkel verkocht bij Kiki Niesten in Maastricht. Er melden zich wel nieuwe winkels, maar die „stellen soms de raarste eisen. Ze willen bijvoorbeeld pas betalen als ze iets hebben verkocht, daar begin ik niet aan. Ik ga deze maand beginnen met een webwinkel, kijken of dat iets doet”. Daarnaast werkt hij geregeld voor derden. Hij ontwierp bijvoorbeeld de nieuwe uniformen voor het personeel van het Rijksmuseum en maakte onlangs met Chinese modestudenten een expositie in Beijing.

Twee jaar geleden had hij nog een ontwerper en een patroonmaker in dienst en gaf hij regelmatig modeshows. Dat kon hij zich veroorloven omdat hij ook hoofd was van de modeafdeling van ArtEZ, ontwerper voor sportmerk Puma (hij had er een eigen schoenenlijn) en in 2003 de Prins Bernhard Cultuurfonds Prijs kreeg.

Maar die werkzaamheden stopten en het geld was op, en toen begon ook nog de crisis. „Ik dacht: laten we het maar even klein houden.” Hij verruilde zijn dure werkruimte in Amsterdam voor een pand in een dorp in Friesland. Van Slobbe huurt een prachtig, sfeervol modernistisch huis uit 1961, tegenwoordig een monument. Door de week woont hij er ook, samen met zijn drie honden en zijn assistent. Zij vertrekt op donderdagochtend om in de winkel te werken, hij gaat op zaterdagochtend. „Winkeltje spelen heb ik altijd leuk gevonden.”

„Ik heb een huis in Amsterdam, maar vaak ben ik op zaterdagavond al terug. Ik heb meer concentratie hier. Eerlijk gezegd vind ik het wel fijn zo. Het is mij altijd vooral om het ontwerpschap gegaan. Ik kan zo tot mijn tachtigste doorgaan.”

Natuurlijk heeft hij af en toe heimwee naar zijn succestijd. „Het geld was lekker. Je kunt zelf stoffen ontwikkelen, je eigen knopen laten maken. En internationaal werken is gewoon sexy. Je bereikt een ander publiek. In Nederland zijn we eigenlijk verschrikkelijk burgerlijk.”

Hij heeft gelukkig „leuke klanten”: „Veel uit de culturele wereld, architecten, advocaten en rechters. Vrouwen die zelf voor hun kleren betalen. Twintigers, maar ook vrouwen van in de zeventig. Die zien er tegenwoordig dikwijls fantastisch uit.”

Die vrouwen zoeken tijdloze kleren, geen mode. „Ik ben ook niet zo modieus. Maar er zijn wel verschuivingen. Dit najaar hadden we jeansjurken tot over de knie. Mijn klanten wilden er nog niet aan. Die hebben we dus allemaal korter gemaakt. We doen ook vaak aanpassingen; vanaf maat 42 moet dat sowieso. Maar een vrouw met een grote maat kan er fantastisch uitzien in mijn kleren, als ze maar mooi beweegt. Niks zo erg als een vrouw die niet beweegt, al heeft ze maat 36. Dat is een hel. Die kan beter naar Dries van Noten gaan, dan heeft ze tenminste nog wat franje. Want ik maak natuurlijk heel saaie kleren. Ik vráág wat van een vrouw, ik wil dat je haar persoonlijkheid ziet. Soms vragen ze eerst: heb je niks in het rood, paars, geel? Dat heb ik, maar dan gaan ze uiteindelijk toch met een donkerblauwe jurk naar buiten. Want in die saaiheid zit wél iets. Die rechte lijnen van mij zijn natuurlijk helemaal niet zo recht als ze lijken.”

Zaterdagavond, half negen. Van Slobbe gaat naar huis. Zijn klant heeft vijf jurken gekocht.

    • Milou van Rossum