Ik ben van andermans woord

Mizzi van der Pluijm wist op haar elfde dat ze uitgever wilde worden. „Ik verheug me op later, als ik eindeloos veel tijd heb om te lezen.”

tekst Rinskje Koelewijn foto Ilja Keizer

Mizzi van der Pluijm met boeken die zij afgelopen jaar heeft uitgegeven. „Van elk gelezen boek weet ik of een zin op de linker- of rechterpagina staat.”

M

izzi van der Pluijm heeft „lekkere dingen” besteld en klaar laten zetten op haar kamer. De directeur-uitgever van Atlas Contact haalt me op bij de receptie. Ze draagt een donkerblauw truitje op een knielange zwarte rok, daaronder iets plompe zwarte schoenen. Onnadrukkelijk, maar o zo modieus. Haar stem nasaal en slepend. „Eerst maar even een rondleiding?” De vraag is een besluit. Twee jaar geleden fuseerden zeven uitgeverijen tot één grote. De nieuwe uitgeverij, Atlas Contact, betrok een pand aan de Prinsengracht in Amsterdam. Het gebouw – eerst zat er een drukkerij – is helemaal verbouwd en ze wil laten zien hoe mooi het is geworden.

Ze gaat me voor, de gang door, naar het achterhuis. Ze opent de deuren naar de binnentuin. Daar worden de laatste spijkers geslagen in het tuinhuis met bar, dansvloer en plafondspotjes. Voor boekpresentaties en andere feesten. Schrijvers hebben de witte muren gesigneerd (eentje zette zijn handtekening op het plafond). Ik herken de namen van Bert Wagendorp, Dimitri Verhulst, Judith Koelemeijer, Salman Rushdie. De bedoeling achter deze eerste stop is me duidelijk. Ja, lijkt ze te willen zeggen, de boekenmarkt lijdt onder teruglopende verkopen, ontlezing, en bestselleritis. Maar hier is het tuinhuis van Mizzi van der Pluijm. En zij houdt de moed erin. Want er valt heus een hoop te vieren.

We lopen door de kamers van de fictie- en non-fictieredacteuren naar boven. Langs de verdieping waar de promotie- en publiciteitsmensen zitten. Hoge plafonds, de tussenmuren van glas. In de boekenkast op haar kamer, nog een etage hoger, staan de boeken van oude en nieuwe auteurs. Ernaast het bordje van Uitgeverij Contact uit 1933, het jaar waarin de uitgeverij werd opgericht om ‘nazisme en fascisme te bestrijden via het woord’. De enige uitgeverij ook die kort na de Tweede Wereldoorlog bereid was het dagboek van Anne Frank uit te geven. Veel werd er niet van verwacht, in plaats van de geplande 3.000 werden er 1.500 gedrukt. Op de lange tafel staan, onder vershoudfolie, twee bordjes met zalm, linzen, humus en pompoen. Uit haar tas haalt Mizzi van der Pluijm een doosje biologische thee en haalt daar twee zakjes uit. Ze vult een karaf water, zet glazen neer en schuift haar stoel aan.

Zij zal achteraf zeggen dat ze die middag eindeloos lang en veel aan het woord is geweest. Dat vond ik niet. Ik bleef haar, ook na een uur praten, een tikje gereserveerd vinden. Waarop zij zich weer excuseerde dat ze me had teleurgesteld. Wat niet zo was.

Duidelijker had ze niet kunnen maken wie ze is: niet ongenaakbaar, maar verlegen. Niet kortaf, maar zakelijk. Een vrouw van het woord, dat zeker. Maar vooral van andermans woord. „Ik ben er om dingen mogelijk te maken. Ik hoef niet zo nodig zelf iets te zeggen.” En zelfs over ‘de dingen’ die ze mogelijk maakt, is ze niet heel mededeelzaam. „Het uitgeverswerk moet discreet zijn. Onze bijdrage aan een boek is cruciaal, maar het hoort dat je niet precies ziet wat we doen.” Hooguit is het aan de schrijver, zegt zij, om iets over de inspanningen van de uitgeverij te onthullen.

Eens in de zoveel tijd wordt het einde van de uitgeverijen aangekondigd. Wie leest er nou nog een boek? Het boek is dood. Boekhandels kunnen net zo goed sluiten. En waarom zou je nog een uitgever nodig hebben, als iedereen zijn schrijfsels zelf via het internet kan verspreiden?

Onzin, vindt Mizzi van der Pluijm. De uitgeverij wordt niet minder, maar meer nodig dan ooit. „We doen veel meer dan een boek laten drukken en zorgen dat het in de winkels komt.” De uitgever, zegt zij, helpt een schrijver graven naar het beste boek dat in hem zit. „We zijn dienstbaar aan het talent van de auteur, een permanent begeleidingsinstituut. Wij faciliteren talent.” De uitgevers en redacteuren van Atlas Contact doen meer dan meelezen. „Bij elke slechtlopende zin, of onduidelijke passage probeert een redacteur naar boven te halen wat de schrijver bedoeld kan hebben.”

En zodra de schrijver het beste boek heeft geschreven, verandert de uitgeverij in een impresariaat. „We moeten de lezers bij het boek zoeken.” Voor literatuur zijn dat misschien niet een miljoen mensen, zegt ze. „Maar toch zeker wel 50.000.” Een paar jaar geleden was een schrijver na een optreden in het boekenprogramma van Adriaan van Dis verzekerd van een goede verkoop. Zo makkelijk gaat dat niet meer. Er zitten wel schrijvers aan tafel bij De wereld draait door of Tijd voor Max. Maar dat zijn vaak dezelfden, en dan ook nog degenen die ‘het goed doen op tv’. Niet elke auteur is geschikt om de boer mee op te gaan. Die is misschien weer wel ad rem op Twitter, of doet het goed in het lezingencircuit. „We vinden bij iedereen wel een haakje.” Schrijfster Yvonne Kroonenberg wil altijd nog eens het ‘festival van de verlegen schrijver’ organiseren. „Iedereen mag een schrijver adopteren die een beetje geholpen moet worden en die aan het grote publiek presenteren.”

Zelf zit ze sinds een paar maanden ook op Facebook en Twitter. „Ik ben op een missie.” Elk interessant flardje boekennieuws post ze. Een foto van president Obama die een boek koopt („Ideetje voor Rutte?”). Cijfers waaruit blijkt dat dalende boekverkoop relatief is (dvd markt -24,4 procent, audio -28,5, boeken -5,9). Wat je moet lezen als je verslaafd bent aan Amerikaanse series. Een oproep met welke schrijver het goed adverteren is met een verwijzing naar Amerikaanse reclamecampagnes waarin beroemde schrijvers figureren; Ernest Hemingway (bier), John Steinbeck (tomatensoep), Frederick Forsyth (Rolex). „A.F.Th. voor Wc-eend?”, oppert een volger.

Eventjes legt ze haar mes en vork neer en zegt: „Ik wist op mijn elfde dat ik uitgever wilde worden.” Of liever: ze ontdekte op haar elfde dat wat ze altijd al wilde worden een naam had en een beroep was. „Alles las ik. De bibliotheek had ik uit, de reclamefolders las ik, het etiket van het potje pindakaas op tafel.” In haar kamer geen posters van popsterren, maar van Gerard Reve. „Wat ik van hem las? Wat las ik niet?” Dus ook Nader tot U of Op weg naar het einde? Brievenboeken vol homo-erotische fantasieën, melancholische buien en gedweep met de katholieke moederkerk.

Gerard Reve

Begreep ze wat ze las? „Het kenmerk van goede literatuur is dat je denkt dat je snapt wat je leest.” Nee, zegt ze. Ze heeft hem nooit ontmoet. Of één keer, bijna. „Ik stond met een vriendin op de camping. We wisten zeker dat een van de mannen op de zeilboot achter ons Gerard Reve was.” En toen? „Toen niks. We zijn achter hem aangegaan. Maar uiteindelijk durfde ik hem niet aan te spreken.”

Op haar elfde pikte ze op een middag waarop ze eigenlijk op school had moeten zijn een boek in de boekwinkel. „Ik vond de foto voorop zo mooi.” Het was een portret van Nancy Cunard, gemaakt door fotograaf Man Ray. Nancy Cunard was een rijke Britse uitgeefster die in 1920 in Parijs ging wonen en daar verkeerde onder schrijvers, kunstenaars en intellectuelen. „Ze herkende en stimuleerde het talent van de kunstenaars die haar omringden.” Ze was een liefhebber van jazz, kenner van Afrikaanse kunst, de ontdekker van Samuel Beckett. „In zo’n wereld wilde ik ook leven”, zegt Mizzi van der Pluijm. „Vanaf dat moment ben ik mijn best gaan doen op school.”

Die school was een montessorischool in Rotterdam. Heel bewust voor haar uitgekozen door haar ouders die voorstanders waren van een vrije geestelijke opvoeding voor haar en haar twee broertjes. Zelf had ze liever ouderwets Jan Blokker-onderwijs gehad. „Lekker klassikaal en klassiek en minder vrijblijvend.” Maar dat is achteraf. Haar ouders waren „modern en vooruitstrevend”. Thuis aten ze brandnetelsoep, maar ondertussen ging het gesprek aan tafel over zakendoen. De familie Van der Pluijm runde een groothandel in zoetwaren. „We waren een ondernemersfamilie. Het ging bij ons altijd over het bedrijf, dat vonden we vanzelfsprekend.” Dat ondernemen meer was dan geld verdienen alleen, kreeg ze ook van huis uit mee. „Mijn vader wilde alle werknemers een aandeel in het bedrijf te geven. Maar niemand was geïnteresseerd. Daar hadden we het over. Over hoe teleurgesteld hij was.”

Ze zegt hoe fijn het is dat ze dat allemaal heeft meegekregen. Want naast al het andere is een uitgeverij een bedrijf. Met werknemers (40) en een product (190 boeken per jaar) en omzetten. De uitgeverij is nu middelgroot. „Maar de meeste uitgeverijen van deze omvang geven veel meer boeken uit.” Dat wil Atlas Contact niet. „Alleen als één van ons helemaal wezenloos weg is van een boek, geven we het uit.”

Ze heeft net verteld dat ze zo gedeformeerd is dat ze aan de lay-out van een manuscript al kan zien of het een goed boek is of niet. „Van elk gelezen boek weet ik of een zin op de linker- of rechterpagina staat.” Dus vraag ik of ze het, na al die jaren lezen, nog kan, „helemaal wezenloos weg” zijn van een boek. En dan komt ze ineens woorden te kort om te zeggen dat lezen „over de wereld gaat, over het leven en de zin ervan” en dat ze zich niet kan voorstellen dat ze dat gevoel, die diepe liefde, ooit kwijt zou raken. „Ik kan me er nu al op verheugen dat ik later eindeloos veel tijd heb. En dat dan de Thuiszorg weer te laat is, en ik uren extra heb om te lezen.”