‘Humor lost meer op dan tobben en navelstaren’

In de rubriek ‘Het nabestaan’ praten mensen over verlies, rouw en hoe het leven verder gaat. Daaronder staat een necrologie van een niet per se bekende persoon.

In mijn leven als volwassen man heb ik maar vier, vijf keer gehuild. Eén van die keren was kort na het overlijden van Rita. In het halve jaar ervoor had ik dag en nacht voor haar gezorgd. Opeens was ze er niet meer. Dan val je in een gat. Ik stond er alleen voor, met drie kinderen in huis die toen 13, 15 en 17 jaar waren.

„Maar goed, je huilt ’s flink – en twee weken later ben ik weer aan het werk gegaan. Ik werkte fulltime. ’s Avonds koken, het huishouden. En dan ging ik ook nog twee avonden in de week repeteren: ik speelde saxofoon in een kwartet en slagwerk in een coverband. Nu verbaas ik me waar ik de energie toen vandaan haalde. Maar ja, inmiddels kost alles me de grootste moeite.

„Ik ben een nuchtere Grunninger. Het is gebeurd, niemand kan d’r wat aan doen. Je kunt er lang of kort over praten, het verandert niks aan de situatie. Ik vind: met een beetje humor in het leven los je meer op dan met tobben en navelstaren. Je moet het leven een beetje kunnen relativeren.

„De kinderen hebben alle drie wel steun gehad van een psycholoog om de dood van hun moeder te verwerken. Hadden ze zelf geregeld. Ook dat ging eigenlijk vanzelf. Ze hadden er kennelijk behoefte aan en na een paar gesprekken zeiden ze: het is goed geweest, ik ben er klaar mee. Mijn vrouw was levensbeschouwelijk ingesteld, antroposofisch angehaucht. Het is niet op onze kinderen overgesprongen: ze hebben weinig met geloof of andere spirituele zaken.

„Rita stierf aan de gevolgen van een hersentumor. Tweeënhalf jaar later werd bij mij een tumor in m’n dikke darm gevonden. Een operatie volgde. Het liep verkeerd, ik kreeg er een ziekenhuisinfectie bij. Drie dagen achter elkaar ben ik geopereerd, negen dagen heb ik op intensive care gelegen. Het is kantje boord geweest. Maar goed, ik heb het overleefd.

„Eerst zei de dokter: ‘Ik heb alles kunnen wegsnijden, er zijn verder geen uitzaaiingen gevonden’. Ik ben statisticus, gespecialiseerd in medische statistiek. Je weet: statistiek zegt niks over individuen. Maar je weet ook: als er kanker in je lijf is gevonden, moet je op alles voorbereid blijven.

„Bij controle, een paar maanden later, dook de eerste uitzaaiing op in lymfeklieren. Ik wist genoeg: die kanker zou verder z’n weg wel zoeken in mijn lijf; ook mijn leven was opeens in de laatste fase aanbeland. Nee, ik heb dat niet met zoveel woorden uitgesproken. In het ziekenhuis geven ze je hoop, met de ene behandeling na de andere. Ik had de zorg voor de kinderen, die al zo jong hun moeder hadden verloren en hun vader hard nodig hadden. Dan ga ik niet zeggen: foute boel, jongens, met mij is het ook een aflopende zaak.

„Ik kreeg, twee jaar na de dood van mijn vrouw een vriendin, met wie ik nog steeds gelukkig ben. Ik dacht: als ik nog maar kort te leven heb, gaan we d’r flink van genieten. Dat hebben we gedaan: vakanties, stedentripjes, vaak uit eten. Geldzorgen heb ik niet en nooit gehad; dat is fijn, als je gezondheid tegenzit.

„Ik heb een jaar of vijftien in de tropen gewoond. Als je rondreist, en je bent niet stekeblind, dan zie je dat Nederlanders behoren tot de 10 procent bevoorrechte mensen op aarde. En binnen Nederland zit ik ook bij de 10 procent die niks te wensen heeft. Dan zegt de statisticus in mij dat 99 van de 100 mensen het slechter getroffen hebben dan ik.

„Ik schrijf graag. Toen ik me bij een chemokuur een keer ellendig voelde, ben ik begonnen mijn levensverhaal op te schrijven. Het werden tien kantjes. Er brak een goeie periode aan, waarin ik minder de aandrang voelde verder te werken aan het verhaal. Maar telkens bij de volgende dip begon ik weer te schrijven.

„Schrijvend heb ik me door alle behandelingen heen gesleurd. Het werd mijn uitlaatklep, mijn manier om emoties te verwerken, mijn leven af te ronden.

„Eerst dacht ik: op die manier laat ik iets na aan mijn kinderen en familie. Gaandeweg heb ik er een verhaal van gemaakt dat misschien voor meer babyboomers interessant is: het is ook een tijdsbeeld geworden van de jaren vijftig en zestig, waarin ik ben opgegroeid.

„Door te graven in mijn herinnering heb ik m’n leven een tweede keer beleefd. En kan ik vol overtuiging zeggen: goed, ’t had langer mogen duren, maar ik heb een prachtig leven gehad.

„Een week of twee geleden was het boek klaar. Vrienden die het lezen, herkennen er hun eigen jeugdjaren in. Mijn kinderen verbazen zich over het simpele en sobere dagelijks leven in mijn jeugd – de geur van spruitjes in huis, van oersaaie zondagmiddagen. Ze zijn blij dat ze nu jong zijn.

„Het boek is mijn afscheidscadeau aan hen. Het is vreselijk dat ze binnenkort, nog zo jong, hun beide ouders kwijt zijn. Maar de jongste is 19 nu. Ze staan allemaal stevig in hun schoenen. Wat valt er meer over te zeggen? Het is vette pech, stom toeval, een speling van het lot dat ons dit overkomt.

„Ik heb mijn verhaal laten eindigen in 1996. Ik wilde niet schrijven over het recente verleden, over de koddige dingen die onze kinderen allemaal hebben gezegd en gedaan. Niemand heeft ooit zulke leuke kinderen gehad als wij, natuurlijk. Dat vindt iedere ouder. Maar voor een buitenstaander is het stomvervelend om die verhalen te horen of te lezen.

„In 1996 beleefde ik een van de hoogtepunten in mijn leven. Ik ontmoette de dochter die toen dertien jaar was en die ik nog nooit had gezien. Op Samoa, waar ik begin jaren 80 woonde, had ik een relatie met een vrouw die zwanger van mij was en die plotseling uit m’n leven verdween met een Japanse man.

„Uiteindelijk is deze dochter terechtgekomen in Zwitserland. Toevallig ook het land waar Rita, mijn vrouw, was opgegroeid en waar twee van onze kinderen nu wonen. Vreemd toeval. Leek me een mooi slot van mijn levensverhaal.”

Gijsbert van Es

Reacties via nrc.nl/hetnabestaan Twitter: #nrc #hetnabestaan Meer over het boek van Joop Garssen, ‘Nog één rondje. Een babyboomer kijkt achterom’: zie boekscout.nl