Het gebrul rolt van de bergen

Nederland traint tijdens het WK bij Flamengo. De volksclub heeft fans in alle lagen van de bevolking. Van de Copacabana tot diep in de favela’s.

Als Amaral van grote afstand raak schiet, brullen de favelas van Rio de Janeiro. De familie Souza schreeuwt mee. Links en rechts schieten vuurpijlen de lucht in. Het gejuich van de bergen golft naar beneden. Naar het asfalt. Daar waar de gegoede aanhangers van Flamengo nippend aan een caipirinha het doelpunt in de bekerfinale van Brazilië vieren. Als dé volksclub scoort, vieren alle lagen van de bevolking feest in de voetbalhoofdstad van het Zuid-Amerikaanse land.

Vanaf het Christusbeeld op de zevenhonderd meter hoge berg Corcovado is het overzicht adembenemend. Alsof je vanuit de hemel naar een levende voetbalkaart van Rio de Janeiro kijkt. Links ligt het Maracanã, dat Flamengo, Fluminense en Botafogo afwisselend als thuishaven gebruiken, als een trampoline in de zon te schitteren. Alleen Vasco da Gama speelt nog weleens in het eigen São Januário. Recht vooruit ligt het lagao Rodrigo de Freitas. Aan de boorden van dit meer staat het trainingscomplex waar de jeugd van Flamengo speelt: Estádio da Gávea. „De meest geliefde van de wereld”, staat er op de muur geschilderd. In de zomer zal deze accommodatie voor even van Oranje zijn.

Flamengo is met afstand de club met de grootste aanhang. Zo’n 15 procent van de 200 miljoen Brazilianen heeft een roodzwart hart – het dubbele aantal fans van alle andere clubs bij elkaar opgeteld. Overal in het land wonen Flamengo-fans en zijn aanverwante clubs opgericht, maar Rio is het hoofdkwartier. Vlaggen van de club wapperen op het strand van het chique Ipanema en straatverkopers leuren op de Copacabana onophoudelijk met nagemaakte shirts, maar ook uit de ramen van de bouwvallige huizen in de arme buurt Mangueira hangen rood-zwarte doeken.

Hoe lager de sociale ladder, hoe hoger het aantal Flamenguistas. Als juffrouw Edna Silveira in een schoollokaaltje onder de rook van het Maracanã aan de kinderen vraagt wie er voor Flamengo is, gaan vrijwel alle vingers omhoog. Eén meisje is voor Vasco, de club van de Portugezen. Ze staat alleen.

Clube de Regatas do Flamengo was aanvankelijk een blank roeibolwerk waarbij een groepje afvalligen van Fluminense in 1912 zich aansloot om te voetballen. De populariteit van Flamengo in de favela’s vindt zijn oorsprong in de jaren dertig van de vorige eeuw, toen de club zwarte sterren als Leônidas da Silva, Domingos da Guia en Zizinho in de armen sloot en successen behaalde. Socioloog Gilberto Freyre droeg in die tijd bij aan de emancipatie van de donkere Brazilianen, door te wijzen op de voordelen voor het voetbal die het mengsel van rassen het land bracht. „Onze sierlijke trucs met de bal, het danskarakter en het tikje subversiviteit waardoor de Braziliaanse stijl gekenmerkt wordt, lijken te wijzen op de kwajongensstreken en de pronkzucht van de kleurling, die de ware bevestiging vormt van wat Braziliaans is”, schreef hij in 1938.

Daar dacht niet iedereen zo over. Van oudsher is het elitaire Fluminense de tegenpool van Flamengo. Fluminense wilde het voetbal aan het begin van de vorige eeuw zo blank mogelijk houden. Beroemd is het verhaal van de speler Carlos Alberto, die zijn haar lichter maakte met rijstpoeder. De aanhang van Fluminense gooit voor duels met Flamengo nog altijd wit talkpoeder de lucht in. Als de tricolores tegen Flamengo op voorsprong komen, zingen ze hatelijke liedjes naar de fans van de volksclub. Ela, ela, ela, silêncio na favela – (Het is stil in de favela), klinkt het dan. Fla-Flu is een van de beroemdste voetbalderby’s ter wereld. Het is een strijd tussen verschillende klassen, die in het normale bestaan volkomen langs elkaar heen leven.

In de volkswijk Penha wonen geen fans van Fluminense. Dit is het territorium van de Rubro-Negro. Het gebied was een paar jaar geleden nog in handen van drugsbaronnen, maar staat in aanloop naar het WK onder controle van de politie. De spanning hangt altijd in de lucht. Hier word je als fan van Flamengo geboren en ga je als fan van Flamengo dood. „Nee, ik heb nooit aan een andere club gedacht”, zegt de vijftienjarige Felipe Souza op de binnenplaats van een kleine woning. Hij wijst lachend op zijn vader Robson en zijn opa Paulinho. „Ik zou ook geen kans van ze hebben gekregen.” De tiener houdt een geel plastic balletje omhoog. De stad ligt aan zijn voeten. „Voetballen bij Flamengo is nog altijd wat ik het liefste wil. Net als Hernane. Mijn lievelingsspeler.”

Het is een verhaal van alle tijden. Iedere generatie heeft zijn eigen helden. Degenen die met de bal aan de voet daadwerkelijk de favela weten te ontvluchten, worden vereerd. Zoals Adriano. De voormalige spits is op een paar kilometer afstand van de familie Souza opgegroeid. Zijn ouderlijk huis staat op zo’n honderd meter van het stoffige voetbalveldje in Vila Cruzeiro. De oud-aanvaller van Flamengo, Inter Milaan en het Braziliaanse elftal is voor altijd de favoriet van Robson Souza. „Ik heb hem van nabij meegemaakt. Adriano is er een van ons. Hij heeft bereikt wat wij allemaal wilden. Hij leefde mijn droom. Dan kijk je anders tegen iemand aan. Adriano zit voor altijd in mijn hart.”

Paulinho Souza haalt een shirt met rugnummer 10 uit een van de kamers van zijn zelfgemaakte woning. Wat hem betreft, is er maar één speler van Flamengo die zich de allergrootste mag noemen: Zico. De ‘Witte Pelé’ was de spelmaker van het legendarische Flamengo dat in 1981 de Copa Libertadores en de wereldbeker won. Paulinho heeft er nauwelijks woorden voor. „Die ploeg met Zico zal ik nooit vergeten. Flamengo maakte de dienst uit. We voelden ons beter dan alle anderen. We waren de besten van de wereld.”

De landstitel is onlangs naar Cruzeiro uit Belo Horizonte gegaan. Flamengo heerst niet meer in de Braziliaanse competitie. De afstand tussen de spelers en de fans is groter geworden. In aanloop naar de bekerfinale traint de ploeg op een hermetisch afgesloten complex op ruim veertig kilometer van de binnenstad. Ninho do Urubu, oftewel ‘nest van de aasgier’, heet het onderkomen van de club, vernoemd naar de vogel die als mascotte wordt gebruikt. De pers mag een uurtje kijken naar de training op een prachtig groen veld dat voortdurend wordt gesproeid. Daarna sluiten de deuren weer.

De fans komen alleen in de buurt van de spelers als ze peperdure kaartjes voor de bekerfinale kopen. De prijzen lopen uiteen van tachtig tot 250 euro. Het leidt tot grote ophef. Aanvoerder Léo Moura begrijpt dat de grote massa dergelijke prijzen nooit kan betalen. Hij wikt en weegt in een klein perszaaltje zijn woorden. „Ik weet dat fans alles over hebben voor Flamengo, maar ik denk dat mensen met een minimumsalaris beter aan hun familie kunnen denken”, zegt de voetballer, die in het seizoen 2000-2001 voor ADO Den Haag speelde.

De familie Souza gaat nooit naar het Maracanã. Flamengo kennen ze alleen van de tv. De bekerkoorts is er deze dag niet minder om. Een uurtje voor zonsondergang gaat Robson Souza op zijn motor in de nauwe straatjes van de favela op zoek naar spullen voor de barbecue. Overal zitten groepjes op straat. Mensen kijken, drinken, zwaaien. Bij een kleine slagerij houdt hij stil. Met twee zakken houtskool en kilo’s vlees rijdt hij omhoog, naar de top van Caracol. Daar waar het bier al koud staat. Robson wijst voor zijn huis naar beneden. „Kijk, daar woont Adriano. Die zit nu ook vast met een fles aan zijn mond”, zegt hij lachend.

Het vlees wordt geroosterd, de bierflessen gaan rond en het plasmascherm gaat aan. Als Flamengo speelt, staat de rest stil. Als Flamengo scoort, staat alles even op zijn kop. De beker van Brazilië mag misschien een troostprijs zijn, maar een doelpunt wordt groots gevierd. Gooooooool!, klinkt het van het dak van Rio. De brul zwelt steeds verder aan en trekt als een lawine de stad in om te sterven in de zee.