Het data delirium

Internet, zo houdt Silicon Valley ons steeds weer voor, is de toekomst. Flauwekul, meent Evgeny Morozov. Want apps lossen geen rommelige publieke problemen op – ze kunnen het niet eens. Hoe de ‘digitale discussie’ ons op een dwaalspoor brengt.

Het heeft verstand van techniek, maar weet nauwelijks iets te zeggen over de sociale, politieke en economische gevolgen daarvan. Silicon Valley. De simplistische kennisleer van de vallei staat model voor andere instellingen, bijvoorbeeld de National Security Agency (NSA). Maar Silicon Valley verschaft de NSA niet alleen de middelen; het werkt ook stimulerend, aanmoedigend zelfs. En dat is een probleem.

Voortschrijdende technische ontwikkelingen uit Silicon Valley prikkelen de NSA naar verbanden te blijven zoeken in een wereld van nietszeggende koppelingen; om elke klik te registreren; om geen uitwisseling te laten passeren zonder dat deze wordt opgemerkt, vastgelegd en geanalyseerd. Net als de internetgoeroes in Silicon Valley gaat de NSA ervan uit dat alles met elkaar is verbonden: kunnen we twee gegevens nog niet koppelen, dan hebben we nog niet diep genoeg gekeken – of moeten we een derde gegeven hebben, nog te vergaren in de toekomst.

Deze praktijk heeft iets weg van een waan – en dan gebruik ik ‘waan’ niet figuurlijk. Voor de Italiaanse filosoof Remo Bodei komt een waan niet voort uit te weinig psychische activiteit, zoals door sommige psychoanalytische theorieën wel wordt gesteld, maar eerder uit een te veel hiervan. „Het onvermogen een enorme hoeveelheid gegevens te filteren”, noemt hij een delirium.

Terwijl een normaal, rationeel mens „heeft geleerd dat zijn onwetendheid veel groter is dan zijn kennis en dat hij de verleiding moet weerstaan om meer samenhang te zoeken dan op dit moment bereikbaar is”, blijft iemand die aan een waan lijdt onwillekeurig naar samenhang zoeken tussen wezenlijk onsamenhangende verschijnselen. Hij generaliseert te veel. Dit leidt, om met Bodei te spreken, tot „hyperinclusie”.

Het Amerikaanse militair-industriële complex wordt momenteel door hyperinclusie geteisterd. En het wordt niet eens verborgen. Zo bekent Gus Hunt, de technische baas van de CIA, dat „we nu eenmaal geen punten kunnen verbinden die we niet hebben […] en daarom in wezen proberen alles te verzamelen en voor altijd te bewaren”. Zo’n hyperinclusie is volgens Bodei het voorrecht van lijders aan een waan. Voor hen, schrijft hij, „heeft het toeval, dat in de externe wereld zeer zeker bestaat, geen bestaansrecht in de psychische wereld, waar het naar een bepaalde verklaring wordt ‘toegebogen’. Zo zal een gek het misschien veelzeggend vinden dat drie mensen in een grotere groep een rode stropdas dragen, en geloven dat dit op een vorm van achtervolging duidt. En zo denkt iemand met wanen ook dat ‘het begrip Jozef niet alleen de persoon omvat, maar ook een houten tafel, omdat Jozef timmerman was”.

Welnu, voor Bodei mag dit dan een waanidee zijn, maar wat Silicon Valley en Washington betreft, praten we over ‘het semantische Web’ en ‘Big Data’. Dat een aantal van die verbanden schijn is, kan Silicon Valley niet schelen. Slaat Google of Facebook de plank mis, en laten ze ons op grond van een verkeerd beeld van ons een nutteloze advertentie lezen, dan leidt dit tot licht ongemak – en verder weinig. Maar slaan NSA of CIA de plank mis, dan leidt dit tot een luidruchtige drone-aanval (en wie geluk heeft, komt misschien in aanmerking voor een geheel verzorgde enkele reis naar Guantánamo).

Daarnaast vervormt het bedrijfsmodel van Silicon Valley het wereldbeeld, en sterk ook. De vallei heeft op elk probleem twee antwoorden: het kan meer ‘berekening’ (of codering) leveren of het kan meer ‘informatie’ (of gegevens) verwerken. Meestal wordt het een combinatie van die twee en zo krijgen we dan weer een nieuwe app om calorieën, weer en verkeer te volgen. Dankzij zulke kleine successen kan Silicon Valley ‘vooruitgang’ herdefiniëren als iets wat van nature uit hun bedrijfsplannen voortvloeit. Maar ook al is ‘meer berekening’ of ‘meer informatie’ soms een gunstig individueel antwoord op bepaalde problemen, daarmee is het nog niet het doeltreffendste antwoord op de weerbarstige, rommelige publieke problemen met diepe institutionele en structurele oorzaken.

Vooral in Amerika denken ze met smartphones een probleem als obesitas op te lossen. Hoe dit werkt? Het idee is dat de smartphones toch al vastleggen hoeveel wij lopen – daar hebben ze sensoren voor – en ons kunnen zeggen als we minder dan de norm lopen. Ook kunnen ze nagaan – misschien wel in combinatie met een Googlebril – wat we eten. Om ons vervolgens te waarschuwen voor dat verleidelijke toetje.

Daarbij is de veronderstelling, ontleend aan de gedragseconomie, dat wij irrationele beslissingen nemen en dat zeer gerichte informatie die ons via deze nieuwe digitale infrastructuur op het juiste moment wordt verstrekt, uiteindelijk onze irrationaliteit kan bedwingen.

Maar hiermee wordt de hele definitie van een vraagstuk als obesitas verengd tot het neoliberale en platvloerse: het is onze eigen schuld! We proberen het probleem niet echt op te lossen, maar zetten alleen onze instrumenten (codering en informatie) in om het probleem op de gerieflijkste, maar ook de minst ambitieuze manier te herdefiniëren. Misschien ben je arm, heb je meer dan één baan, bezit je geen auto om boodschappen te doen op een groentemarkt, en is het daarom een volstrekt rationele beslissing om junkfood bij McDonald’s te eten. Je koopt het eten dat je je kunt veroorloven. Wat voor zin heeft het om jou voor te houden wat je al weet: dat je goedkoop en afschuwelijk voedsel eet? Het probleem dat hier moet worden aangepakt is de armoede – en dat is te bestrijden door economische hervormingen. Het probleem is niet het te geringe informatieaanbod.

Sociologen hebben een naam voor dit verschijnsel bedacht: ‘gesloten probleem’. Dit verwijst naar „de situatie waarin aan de hand van een specifieke definitie van een probleem de verdere bestudering van de oorzaken en gevolgen van het probleem zodanig worden ingekaderd dat alternatieve visies op het probleem worden uitgesloten”.

Zijn oorzaken en gevolgen eenmaal eng gedefinieerd, dan krijgen bepaalde oplossingen natuurlijk de meeste aandacht. Op dat punt zijn we nu: aangezet door Silicon Valley herdefiniëren beleidsvormers problemen als het gevolg van onvolledige informatie. En daarbij komen ze met oplossingen die maar één ding doen: meer informatie verschaffen via apps.

Maar waar zijn de apps om armoede of rassendiscriminatie te bestrijden? We bouwen apps om de problemen op te lossen die onze apps kúnnen oplossen – in plaats van de problemen aan te pakken die echt opgelost moeten worden.

Laten we de politiek en economie in deze discussie terugbrengen. Beseffen de mensen in Silicon Valley wel in welke ellende ze ons meesleuren? Dat betwijfel ik. Het ‘onzichtbare prikkeldraad’ blijft zelfs voor zijn bouwers onzichtbaar. Wie werkt aan een middel om MOOCs – digitale massacolleges – aan biometrische identificatie te koppelen, is niet zo bezig met de vraag wat dit voor onze vrijheden betekent. ‘Vrijheid’ is zijn afdeling immers niet, hij bouwt alleen maar cool tools om kennis te verspreiden.

Hier brengt de ‘digitale discussie’ ons op een dwaalspoor: ze kan ingaan op techniek, maar weet nauwelijks iets te zeggen over de sociale, politieke en economische systemen die dankzij deze techniek in- en uitgeschakeld worden, of versterkt en verzacht. Halen we in onze analyse deze systemen weer naar voren, dan wordt de ‘digitale’ kant van dat soort technisch gepraat uitermate saai, want het verklaart niets.

In 1990 waarschuwde de Franse filosoof Gilles Deleuze voor zulk technisch centrisme: „We zien natuurlijk wel dat elk soort maatschappij samengaat met een bepaald soort machine – waarbij eenvoudige mechanische machines samengaan met soevereine maatschappijen, thermodynamische machines met disciplinemaatschappijen, cybernetische machines en computers met controlemaatschappijen. Maar de machines verklaren niets, we moeten de collectieve ordening analyseren waarvan de machines maar één onderdeel zijn.”

De afgelopen twintig jaar is ons vermogen om zulke verbanden tussen machines en de ‘collectieve ordening’ te leggen nagenoeg opgedroogd. Naar ik vermoed is dit gebeurd omdat wij ervan uitgingen dat deze machines uit de ‘cyberspace’ kwamen, dat ze behoorden tot de ‘online’ en ‘digitale’ wereld. Met andere woorden, dat ze ons geschonken werden door de goden van ‘het internet’. En het internet, zoals Silicon Valley ons telkens voorhoudt, is de toekomst. Wie zich tegen deze machines verzette, verzette zich dus tegen de toekomst zelf.

Flauwekul. Er bestaat geen ‘cyberspace’. De ‘digitale discussie’ is slechts een stel drogredenen, verzonnen door Silicon Valley om te zorgen dat de directeuren ’s nachts goed slapen. (Het betaalt ook goed!) Is het niet genoeg geweest?

Ten eerste moeten we ze beroven van hun platvloerse maar zeer doeltreffende taal. Ten tweede moeten we ze ontdoen van hun gemankeerde geschiedenis. En ten derde moeten we de politiek en economie in deze discussie terugbrengen. Laten we de ‘digitale discussie’ voorgoed begraven – samen met het overaanbod aan intellectuele middelmatigheid dat ze intussen heeft opgeleverd.