De muur in het hoofd van de Turken

Correspondent Bram Vermeulen neemt afscheid van Turkije en de muur die het land gevangen houdt. Wat begrijpt hij na vijf jaar van Turkije?

Koerden demonstreren tegen de bouw van de muur op de Turks-Syrische grens. Turkse politie gebruikt traangas tegen Turkse Koerden terwijl Syrische Koerden zich verzamelen aan de andere van de grens. Foto’s AFP

De reis eindigt waar die vijf jaar geleden begon. De Turks-Syrische grens was de plek waar ik steeds weer terugkeerde voor de stand van het land. Het begon toen zo: de winkelcentra in het zuiden van het land puilden op vrijdagmiddag uit van de koopjesjagers uit Aleppo in Syrië. Touroperators reden de Syrische middenklasse met bussen tegelijk naar binnen. Turkse winkelbedienden gingen op Arabische les. De buitenwijken van de grenssteden waren wouden van hoogwerkers en kranen. Terwijl Europa wegkwijnde in crisis en de luiken sloot, zette Turkije de deuren naar zijn buren wagenwijd open.

Nu sta ik hier weer, bij diezelfde grens. Onder het toeziend oog van soldaten in wachttorens zijn mannen in legerbroeken bezig met een cementmolen de grens te betonneren. Achter hun rug liggen de mijnenvelden die de leiders in Ankara en Damascus nog niet zo lang geleden beloofden te ruimen. De muur die ze bouwen, is slechts een meter hoog nu. Driehonderd meter wijd. Maar de symboliek is grenzeloos veel groter.

De reis eindigt waar die begon, met deze vraag: wat heb ik na vijf jaar van dit land begrepen? Hier haalden de leiders in de landen aan weerszijden van de grens in 2010 gezamenlijk de slagboom weg, om de Turks-Syrische vriendschap te bezegelen. Toen schreef ik steeds weer over ‘openingen’, acilimi in het Turks. De democratische opening. De Koerdische opening. De Alevitische opening. De Armeense opening. De Arabische opening. Neo-Ottomaans Turkije slaat zijn vleugels uit, was de analyse.

Maar na de uitzetting van de Turkse ambassadeur in Egypte afgelopen weekend heeft Turkije geen vertegenwoordiging meer in Israël, in Egypte, Syrië, of Armenië. Ooit noemde de minister van Buitenlandse Zaken van dit land zijn politiek ten opzichte van de buren: de nul problemen politiek. Nu is de grap: nul diplomatieke banden, alleen maar problemen. De muur die hier gebouwd wordt, is de muur in het Turkse hoofd die maar niet wijken wil.

Niet alleen in het Turkse hoofd. Abdulhalim Zengin staart over het niemandsland tussen Turkije en Syrië. Hij is een Koerd. Hij woont hier en heeft familie aan de overkant. Ik kan hem vragen wat hij vindt van deze muur maar ik weet zijn antwoord al.

Abdulhalim Zengin zegt: „Deze muur is een muur van schande. Hij verdeelt Koerdistan.” Die teksten staan hier op levensgrote posters, en zijn op de muren gespoten. Dit is het hart van Koerdistan, het land dat bij het verdrag van Lausanne (1923) definitief door de grootmachten werd opgesplitst en verdeeld raakte over vier landen: Turkije, Syrië, Irak en Iran. Hier wonen Koerden, aan de andere kant van de grens wonen Koerden.

De militante PKK die al dertig jaar strijdt voor zelfbestuur trekt hier aan de touwtjes. Hun Syrische zusterorganisatie PYD riep juist autonomie uit over Koerdisch Syrië, aan de andere kant van de grens. Iedere Koerd die hier spreekt, spreekt de teksten van die militanten. Zij zien iedere handeling van de Turkse staat als een handeling om het Koerdische volk te verdelen.

Ik had de Koerdische bouwvakker kunnen tegenwerpen dat premier Recep Tayyip Erdogan in de afgelopen jaren meer heeft gedaan voor de Koerden dan elk van de voorgaande regeringen. De staatszender zendt uit in de Koerdisch taal, er mag Koerdisch worden gedoceerd op universiteiten en scholen, politici mogen nu in het Koerdisch campagne voeren.

Gezongen in de bergen

Op dezelfde dag dat ik hier bij de muur van Nusaybin sta, reist de premier af naar de grootste Koerdische stad in het land Diyarbakir, om niet alleen de leider van de Iraakse Koerden te ontmoeten, Massoud Barzani. Maar ook om Sivan Perwer te horen zingen, de Koerdische zanger en dichter wiens liederen door de PKK-militanten in de bergen gezongen worden. Na 37 jaar ballingschap keert Perwer terug naar zijn land om met de Turkse premier het podium te delen. Zo is de Turkse politiek: als de Koerdische kringdans, Mehteran: twee stappen vooruit, één achteruit. De dans gaat voort, maar draait dezelfde cirkel weer en weer.

Ik had dit tegen de Koerdische burgemeester kunnen zeggen die negen dagen in hongerstaking ging om te protesteren tegen de muur aan de rand van haar stad. „Deze muur is een muur van schande. Deze muur verdeelt Koerdistan”, zegt Ayse Gökkan. Na vijf jaar in dit land weet ik dat het met Koerdische nationalisten zoals de burgemeester, net zo is als met Turkse nationalisten. De muur is ondoordringbaar voor de rede. Ze willen ons verdelen, is hun beider overtuiging.

Nusaybin ligt in de provincie Mardin, waar alle volkeren wonen die dit multiculturele land rijk is. Turken, Arabieren, Koerden, Arameeërs, Armeniërs, Syriakken, zo divers als de mozaïekvloeren in de eeuwenoude huizen in dit grensland.

Dit is het werkelijke probleem van Turkije: in het negentigste jaar van de republiek hebben de bewoners van dit land nog altijd niet besloten dat dit land van hen allemaal is. De overtuiging dat de ander uit is op de vernietiging van de eenheidsstaat verstopt iedere opening in de muur. Het trauma van een 600 jaar oud wereldrijk dat aan het begin van de vorige eeuw uiteengereten werd door vijandige krachten is dit land nog altijd niet te boven. De vijand woont niet alleen daar, hij is onder ons. Dat idee is het cement in de muur om de ware nationalist.

Dat niet de islam maar dat betonnen nationalisme de vooruitgang van dit land in de weg zit, bleef maar moeilijk uit te leggen in de Nederlandse talkshows. Leverden de verscherpte wetten over alcohol, abortus, en de blinde razernij van de premier tegen de kortgerokte demonstranten op Taksim in juni niet het onomstotelijke bewijs dat Turkije islamiseerde? Het is die muur, wilde ik steeds zeggen. De premier is de beste bouwvakker in het land: met iedere toespraak over de „plunderaars” op het plein, de „terroristen” in het Koerdische zuidoosten, de moordenaars in Israël, de coupplegers in Egypte, legt hij nog een steen rondom zijn electoraat. Daar binnen is het veilig, buiten de vijand.

Verkeerde kant van de muur

Ik kwam zelf steeds weer aan de verkeerde kant van de muur terecht, soms zonder het in de gaten te hebben. Tijdens de protesten op Taksim werd ik op Twitter bedolven onder pek en veren vanaf de andere kant van de barricaden. Nederlandse Turken die mijn verslaggeving volgden op het plein noemden me „een zionist”, „een leugenaar”, „een agent”. „Who is your master”, twitterde Ela Zig, in opnieuw dezelfde bunkermentaliteit: ze willen ons verdelen.

Zij die aan de andere kant van de muur stonden, moedigden die verslaggeving juist aan. Ze noemden zich de capulcular (plunderaars) en hadden het scheldwoord van de premier als geuzennaam genomen. Voor hen was persvrijheid die dagen een groot goed. Ze applaudisseerden toen ik anders dan de Turkse televisie wel interviews deed op het plein van oproer.

Maar toen sommige capulcular later lucht kregen van mijn reportages over de worsteling van Koerden in dit land, keerden ze zich even snel weer tegen me. Op internet vierden Capulcular feest toen ik op een zwarte lijst terecht kwam en het land dreigde te worden uitgezet. In dit land bleef ik altijd aan de verkeerde kant van de muur staan.

Ik verslikte me in het Taksimprotest. De hipsters die trots hun blikken bier dronken op het plein als uiting van hun weerstand tegen de gelovige premier, maakten muziek, lazen boeken, kleden zich en gedroegen zich als Europeanen. Maar diezelfde jeugd hoorde ik paniekerig met elkaar fluisteren op de dag dat de premier het verbod op het dragen van een hoofddoek in de openbare ruimte ophief, een verbod dat in ieder Europees land ongrondwettelijk zou zijn. Een demonstrant maakt nog geen democraat.

Hier sta ik, aan de grens van de republiek. Achter me lopen honderden Koerden te hoop om te demonstreren tegen de muur die hun volk verdeelt. Voor me staan agenten van de Turkse oproerpolitie met wapenstokken om de demonstranten bij de grens vandaan te houden die hun ratjetoevolk bijna een eeuw bij elkaar houdt. Ik sta er tussenin, maar hoor nergens thuis. Weer een protest, weer een oproer, tegen een eeuwenoud besluit. Dat is voor mij Turkije. Een land gevangen in zijn geschiedenis.