Context bij primeurs helpt tegen het ‘wisten we al’ effect

Wat laat je weg uit een primeur? NRC Handelsblad heeft de afgelopen weken nieuws van internationaal formaat gebracht over de NSA. De wens van de VS om geheim te houden dat Nederland werd afgeluisterd, het aantal van 50.000 gehackte netwerken, het inbreken van de AIVD op servers van internetfora – het is nieuws waarmee de krant midden in een van de grote verhalen van deze tijd staat.

Dat nieuws komt niet kant en klaar als manna uit de hemel vallen. Aan de NSA-verhalen is lang gewerkt door de verslaggevers Huib Modderkolk, Steven Derix en correspondent Floor Boon – al maanden vóór hun samenwerking met Glenn Greenwald, die met hen documenten van Edward Snowden doorploegde. Dat kost tijd en is zorgvuldig werk.

Daar wordt soms ook iets bij weggelaten, viel lezers op. Zo schrapte de krant zinnen uit gepubliceerde documenten.

Waarom? De krant, licht chef onderzoek Jan Meeus toe, wil niet het risico lopen dat door publicatie van een – in de ogen van de redactie ondergeschikt of ‘onschuldig’ – feit of detail individuen gevaar lopen. Of dat door te veel technische informatie te publiceren, methodes onbruikbaar worden. Zo ging The New York Times ook te werk met de WikiLeaks-documenten. Wel onthullen, maar niet zomaar alles op straat kwakken.

Maar soms zou je ook juist iets moeten toevoegen, ter wille van de context.

Zo kwam er na een van de eerste onthullingen het nieuws dat de VS Nederland sinds 1946 afluisterden (Nederland sinds 1946 doelwit van de NSA, 23 november), her en der de reflex ‘wisten we allang’. Niet alleen bij concurrerende media, maar ook bij twitteraars en bloggers met kennis van inlichtingenzaken.

Want inderdaad, onderzoekers Bob de Graaff en Cees Wiebes onthulden alweer zeventien jaar geleden, op basis van toen vrijgegeven NSA-documenten, dat de VS en Groot-Brittannië „in de oorlog, en waarschijnlijk tot in de jaren vijftig” diplomatieke post van Nederland hadden meegelezen. Ze schreven dat uitgebreid op in een krant: NRC Handelsblad (Codes van vertrouwen, 29 juni 1996). Nog steeds een lezenswaardig stuk.

Dat had de krant er beter apart bij kunnen vermelden, om klachten over het korte geheugen van de journalistiek te voorkomen. Temeer omdat Modderkolk en Derix in hun bericht toch al verwezen naar een andere historische bron, de Amerikaanse inlichtingenspecialist Matthew Aid, die eerder het vermoeden uitte dat het afluisteren van Nederland door de Amerikanen was doorgegaan tot in de jaren negentig – een verhaal dat óók in NRC Handelsblad had gestaan.

Maar wisten we ‘het allemaal’ dus ‘allang’? Nee – om te beginnen bouwt journalistiek altijd voort op eerdere ontdekkingen. Waarheidsvinding is geen goddelijke Openbaring. En dit nieuws voegde harde elementen toe: een nieuw document waaruit „onomstotelijk” bleek dat Nederland tot ten minste 1968 was „afgeluisterd”. Maar ook – politiek pikant – dat de VS dit geheim wilden blijven houden voor de trouwe bondgenoot.

Dat laatste stond in een eerste versie van het bericht dan ook bovenin – in de eindredactie zakte het naar de tweede alinea omdat het afluisteren brisanter werd gevonden. Jammer, want nu brandde de discussie los over ‘oud nieuws’. En voor je het weet zit je dan in de scholastiek van debunken en weer ontbunken.

Verwarrend vonden verschillende lezers ook de voorpagina van maandag, over het rapport-Dessens over de inlichtingendiensten. De openingskop luidde Adviescommissie pleit voor scherper toezicht op inlichtingendiensten. Maar een kadertje, ingeklemd in de nieuwsanalyse, meldde als „belangrijkste aanbeveling” van de commissie dat de diensten meer bevoegdheden moeten krijgen.

Het nieuws was samen te vatten als ‘ruimere bevoegdheden én scherper toezicht bepleit’. Maar het laatste is wel een consequentie van het eerste, niet andersom. Nu wekte de krant de indruk het nieuws naar de eigen onthullingen te willen toeschrijven. Niet nodig.

Nog iets over weglaten. In een artikel over de Libor-fraude bij de Rabobank (Rabo’s snelle bankjongens, 30 november), werden enkele handelaren en managers aangeduid met de initiaal van hun voornaam (‘P’, ‘T’, ‘D’ en nog een ‘P’). „Om privacyredenen”, stond erbij. Dat gebeurde „in overleg met advocaten van de Rabobank”, meldde een kader.

Het argument om namen weg te laten „om privacyredenen” vond ik terug bij stukken over jihadisten, pedofilie (naam vermeld, woonplaats niet), psychiatrie en, warempel, naturisme. De krant kan dan een afweging maken tussen het belang van het verhaal en de noodzaak om mensen die de krant vrijwillig te woord staan, enigszins te beschermen. En bij verdachten van Justitie is het gebruikelijk hen met initialen aan te duiden.

Maar bij de Rabo-mannen ligt het anders. Zij zijn geen verdachten, en kwamen in het stuk ook niet aan het woord. Terwijl je zou zeggen, als de krant (op basis van niet genoemde bronnen) beschrijvingen van personen aandurft als „grofgebekt” en „Brit van het rauwere soort” dan horen daar ook namen bij – én wederhoor.

Het laatste was geprobeerd – het stuk werd anderhalve week voor publicatie aan de bank voorgelegd – maar niet gelukt. Weerwoord kwam via advocaten, die aandrongen op anonimisering.

Nu had de krant ruim op tijd wederhoor geboden, dus waarom zou dat moeten? Maar om een rechtsgang te voorkomen, werden de namen alsnog geschrapt. Argument: het belang van dit inkijkje in de bedrijfscultuur weegt zwaarder dan het noemen van die namen.

Ja, die afweging kun je maken. Maar ‘privacy’? Het betreft hier het professionele handelen van deze vier, niet hun privéleven of mogelijke naturisme.

Trouwens, voor hun directe omgeving blijven ze makkelijk herkenbaar. („Hij heeft in zijn kamer een poster hangen van de film Catwoman.”) Kennelijk wilde de bank hen vooral beschermen tegen volkswoede na kantooruren.

Het gaat dus om een afweging van belangen, maar met het recht op privacy heeft het niets te maken.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

    • Sjoerd de Jong