Al dat werk waar ze voor komen, is er nu even niet

Komt er een ‘tsunami’ van arbeidsmigranten als op 1 januari de grenzen voor Bulgaren en Roemenen opengaan? Sommige politici waarschuwen voor ‘hordes’ nieuwe migranten, maar wetenschappers zijn het onderling niet eens. Eerste deel van een korte serie.

De tuin van een Roemeense kerk in Schiedam en eenBulgaarse supermarkt in dezelfde gemeente. Foto’s Robin Utrecht

Komen ze eigenlijk wel, al die Bulgaren en Roemenen? De angst is groot voor héél veel arbeidsmigranten uit Midden- en Oost-Europa, als op 1 januari de grenzen open gaan voor Roemenen en Bulgaren. Nu hebben die nog een werkvergunning nodig.

Het was een mooi ideaal: open grenzen in Europa. Iedereen kon vrij rondreizen en in de hele EU werken. In Brussel zelf willen ze het nog steeds niet graag horen, al wordt er vanuit Den Haag en Londen steeds luidruchtiger over geklaagd: met dat vrije verkeer gaat het lang niet altijd goed in Europa.

Vraag het aan wethouders of inwoners van sommige wijken in grote steden: arbeidsmigranten verdringen ‘onze’ werklozen; huisjesmelkers proppen tien volwassenen in huizen van zestig vierkante meter. Ze nemen campings of vakantieparken over, omdat ze toch ergens moeten wonen. Malafide uitzendbureaus komen op hen af, hun kinderen brengen leraren tot wanhoop omdat ze slecht Nederlands spreken. En vragen ze op een dag niet massaal een uitkering aan?

De PVV helpt mee: Geert Wilders voorspelt dat 2014 een ‘rampjaar’ wordt. De SP liet opinieonderzoek uitvoeren waarvan het resultaat vorige week door De Telegraaf naar buiten werd gebracht: Nederland is de ‘toestroom beu’.

En minister Lodewijk Asscher (Sociale Zaken, PvdA) kondigde al deze zomer ‘code oranje’ af – alsof de dijken in Nederland op doorbreken staan.

Nieuws was het allemaal niet voor wethouders in de grote steden. In 2010 waarschuwde de Haagse PvdA-wethouder Marnix Norder voor een ‘tsunami’ van arbeidsmigranten uit Midden- en Oost-Europa. Hamit Karakus, de Rotterdamse wethouder voor wonen en stedelijke economie, vindt dat de overheid te weinig aandacht heeft voor problemen die er volgens hem zeker komen. „Het maakt niet zoveel uit hoeveel mensen er komen. We moeten zorgen dat we klaar zijn om ze te ontvangen. Als we gewoon afwachten, zoals bij de Polen, dan weet je zeker dat het misloopt in de stad.”

Komen ze echt?

De vraag is, komen ze echt? Wat weten we over de arbeidsmigranten uit Oost-Europa die er nu al zijn? En met hoeveel zijn ze?

Van de migranten die de afgelopen jaren naar Nederland kwamen, vormden de Oost-Europeanen de grootste groep – en dan vooral de Polen. Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek blijkt dat van de 64.000 EU-burgers die zich in 2011 in Nederland vestigden, de helft uit Oost-Europa kwam. Er gingen er ook weer weg: 39.000 EU-burgers vertrokken, onder wie 15.000 Oost-Europeanen.

Het CBS telt alleen de geregistreerde migranten: mensen die zich inschrijven – of uitschrijven – in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (GBA), wat je normaal gesproken doet als je ergens voor langere tijd gaat wonen. In werkelijkheid kwamen er meer, dat is zeker. Maar hoevéél meer, valt moeilijk te zeggen. De meest recente schatting is van hoogleraar statistiek Peter van der Heijden van de Universiteit Utrecht. Hij koppelde verschillende registratiebestanden – het GBA, de polisadministratie van het UWV en het Herkenningsdienstsysteem van de politie (HKS) – en ging ervan uit dat er in 2009 zo’n 305.000 Midden- en Oost-Europeanen waren en in 2010 ongeveer 340.000.

Maar de onzekerheidsmarge, zei hij erbij, is fiks. Hij denkt dat het er eerder minder zullen zijn dan meer.

Het is goed om te weten hoeveel mensen er zijn, zegt hoogleraar sociologie Godfried Engbersen van de Erasmus Universiteit Rotterdam. „Maar we moeten ons er niet blind op staren.” Hij denkt dat het wel mee zal vallen met die ‘hordes’ van Oost-Europeanen die naar het Westen trekken. De grootste trekker voor arbeidsmigranten is natuurlijk werk, zegt Engbersen. „Door de economische crisis is juist dat schaarser geworden.”

En de regels om in aanmerking te komen voor een uitkering zijn strenger geworden. „Ook in Nederland. Bulgaren en Roemenen hebben meestal geen netwerk van familie of vrienden dat hen kan opvangen. En de illegale, informele economie is beperkt.”

Dumitru Sandu, hoogleraar sociologie in Boekarest, denkt dat Nederland zich nu misschien druk maakt over de vorige oorlog: de angst voor een toestroom van Bulgaren en Roemenen komt volgens hem vooral door de ervaring van het Verenigd Koninkrijk met de Polen.

Na de toetreding van Polen tot de EU in 2004 kwamen een paar honderdduizend Poolse migranten naar Engeland. „Niemand had dat voorspeld”, zegt Sandu, die in zijn land geldt als dé migratiespecialist. Hij doet al jaren onderzoek naar de achtergrond van Roemenen die wegtrekken.

Na een bijeenkomst over arbeidsmigratie, georganiseerd door de Roemeense ambassade in Den Haag, zegt Sandu: „Je kunt niet zomaar de toetreding van landen tot de EU vergelijken met het opheffen van beperkingen voor Roemeense en Bulgaarse werknemers. Midden- en Oost-Europeanen hadden in 2004 nog helemaal geen netwerken in andere landen van Europa. Ze hadden nog geen buren of vrienden of dorpsgenoten die waren weggegaan. Nu wel en uit onderzoek blijkt dat ze die graag achterna reizen, als ze al weggaan.”

Sandu pakt de cijfers erbij: de meeste Roemenen kozen de afgelopen jaren in Europa voor Italië (ruim een miljoen Roemeense immigranten) en Spanje (bijna 900.000). Volgens het Europese bureau voor de statistiek Eurostat zijn er in Nederland 9.000 Roemenen.

In Spanje, laat Sandu zien, kwamen er juist minder nadat de eis van een werkvergunning was afgeschaft. Maar daar komt de crisis ook harder aan. Waarom zouden bijvoorbeeld de Roemenen uit het zuiden van Europa ná 1 januari niet naar het noorden trekken – naar Nederland? In de Tweede Kamer is vooral de SP daar bezorgd over: met ‘miljoenen tegelijk’ zouden ze vanuit het zuiden kunnen komen.

„Het is niet waarschijnlijk dat dat massaal gebeurt”, zegt Sandu. „Uit ons onderzoek in Roemenië blijkt heel precies wie uit welke regio naar welk deel van Europa is gegaan. Mensen uit het oosten en zuiden van Roemenië gingen vooral naar Italië en Spanje. Mensen uit het westen trokken naar de noordelijke landen zoals Duitsland, Denemarken, Zweden, Nederland.”

Wie naar het noorden ging, zegt Sandu, was meestal rijker en hoger opgeleid. Armere Roemenen kozen vaker voor het zuiden, omdat het leven daar goedkoper is en de taal beter aansluit bij hun eigen taal.

Grote onderlinge verschillen

Godfried Engbersen deed met zijn team in Rotterdam onderzoek naar migranten in negen Nederlandse gemeenten, die representatief zijn voor de spreiding van migranten uit Midden- en Oost-Europa. „Het idee is dat de Oost-Europeanen komen om hier te blijven”, zegt hij. „Maar als je wat preciezer naar die groep kijkt, zie je grote onderlinge verschillen.” Ze verschillen in opleidingsniveau, inkomen, de manier waarop ze wonen, leeftijd en de mate waarin ze zich verbonden voelen met Nederland.

Engbersen ziet vier groepen: seizoensarbeiders in de land- en tuinbouw of in de bouw, migranten met twee nationaliteiten, bijvoorbeeld kennismigranten, migranten die zich echt in Nederland willen vestigen, zoals Poolse bruiden, en de footloose migranten – de jonge, ongebonden en laag opgeleide gelukszoekers met een onzekere arbeidspositie.

„Met de mensen zelf zijn er eigenlijk nauwelijks problemen”, zegt PvdA-Tweede Kamerlid en oud-vakbondsbestuurder John Kerstens. „Het probleem is, en dat moeten we heel serieus nemen: als de één, de Oost-Europeaan, wordt uitgebuit, verliest de ander, de Nederlander, zijn baan. En je hebt sectoren die daar heel gevoelig voor zijn omdat er erg op prijs wordt geconcurreerd: bouw, transport, landbouw.”

Rotterdam is als grote stad aantrekkelijk voor arbeidsmigranten, ook al omdat het Westland makkelijk te bereiken is. Nu zijn de Polen nog de grootste groep arbeidsmigranten uit Oost-Europa. Wethouder Karakus weet zeker dat de Roemenen en Bulgaren in 2014 volgen. In april van dit jaar ging hij met burgemeester Aboutaleb en een delegatie naar arme buitenwijken van Boekarest om te waarschuwen: Holland is niet het land van melk en honing. Hij vertelde dat mensen samenhokken in kleine huizen en soms werken voor 4 euro per uur. „Weet je wat ze vroegen? ‘Waar kan ik tekenen?’ Die mensen hebben geen werk. Ze slapen ’s nachts tegen de buizen van de stadsverwarming om niet dood te vriezen. Voor hen klonk het geweldig.” Karakus wil ze niet tegengehouden. „Om te beginnen”, zegt hij in een gesprek in het stadhuis, „moet je weten wie er in de stad wonen.”

Vorig jaar waren er naar schatting tussen de 30.000 en 50.000 arbeidsmigranten uit Midden- en Oost-Europa in Rotterdam. Zo’n 12.000 stonden geregistreerd in het GBA. Ze zijn daar ook niet toe verplicht, het mag vanaf dag één, maar het hoeft pas na vier maanden. Maar ook dan gebeurt het lang niet altijd. Kakakus wil arbeidsmigranten kunnen verplichten om zich meteen te registreren. Daarvoor moeten ze een deugdelijk adres hebben in Nederland. „Pas dan weet je of er niet te veel mensen in één huis wonen. Pas dan zie je of kinderen naar school gaan, of ze een normaal loon krijgen.” Pas dan ook kun je ze benaderen voor een vrijwillige taalcursus, volgens Karakus een van de belangrijke voorwaarden voor integratie.

Kansloze migranten wil Karakus zoveel mogelijk weren. Bedelen of met een accordeon geld ophalen, is verboden in Rotterdam. Buitenlandse daklozen zonder binding met de stad krijgen geen onderdak in de daklozenopvang. „Rotterdam wil dat de Rotterdammers zo veel mogelijk voor zichzelf kunnen zorgen”, zegt Karakus. „Dat geldt zeker ook voor de Oost-Europeanen.”

    • Sheila Kamerman
    • Petra de Koning