Aan tafel met uil en wurgslang

Over de smaken van andere wezens is het heerlijk gruwelen. Voor wie geen enge dingen wil eten, maakt Marjoleine de Vos troostrijke soep.

foto Holger Niehaus

Panda, het magazine van het Wereld Natuur Fonds, ging laatst over eten in de natuur. Niet picknicken, maar hyena’s bij een kadaver, of een mot op een vacht. De omslagfoto was geniaal: je ziet van dichtbij een uil, geklauwde poten uitgestrekt, klaar om te grijpen wat daar nog nietsvermoedend zit, een muisje in de sneeuw. ‘Lekker’ staat er in die sneeuw, als aankondiging van het nummer.

Maar het lijkt ook de gedachte van die uil. Ha een muisje! Lekker.

Het geeft weer eens te denken over de smaken en voorkeuren van andere wezens. Eens in de zoveel tijd heb je wel zo’n gesprek aan tafel over wat je liever niet zou willen eten. Ogen bijvoorbeeld. Die gesprekken gaan altijd direct voorbij aan al evenmin in eerste instantie aantrekkelijke waren als de pens of de suikerbiet. Zelfs over insecten wordt dan ineens luchtig gedaan, terwijl we er onszelf toch maar moeilijk toe kunnen zetten. Ongeweten insecten eten, zoals wanneer ze meegekookt of -gemalen zijn in de tomatenketchup, of het vlees op de barbecue, daar doen de meeste mensen niet moeilijk over. Dat het roze glazuur op de roze koek met schildluizen gemaakt wordt, kan evenmin zelden iemand iets schelen – misschien omdat niemand ooit meer een roze koek eet. Ze zijn geen reclame voor de schildluis. Maar hoewel bijna iedereen beweert geen probleem te zullen hebben met gefrituurde sprinkhanen, eet toch eigenlijk niemand ze.

Voor het tafelgesprek over ‘griezelige dingen eten’ zijn gefrituurde sprinkhanen geen partij. Omdat het een gesprek is natuurlijk, en geen werkelijkheid. Toen ik eens met twaalf voedseljournalisten van over de hele wereld aan een tafel zat en er potjes letterlijk springlevende garnalen werden neergezet die wij bij hun staartjes moesten vangen, met hun kopjes door de saus slieren en onvervaard doormidden bijten, was er toch heus wel een aantal dat gillend terugdeinsde.

Dat ging niet om sprieten en pantsertjes en insectachtigheid (want eerlijk is eerlijk, een garnaal lijkt nogal op een sprinkhaan), zeiden ze, maar om een ander taboe: ze wensten geen levende dieren te eten. Zit wat in. Ik wierp ze de oester tegen, die we toch ook levend verslinden, maar vond dat tegelijkertijd, hoewel wáár, toch moreel niet in de haak. Je hoort geen levende wezens te eten. Dat is wreed. Aan de andere kant: zo’n garnaaltje of zo’n oester bijt je meteen dood. Ze worden niet eerst levend aan een haak gehangen om in elektrisch geladen water een schok te krijgen die ze hopelijk verdooft, maar soms niet, en dan langs messen gehaald, die ze hopelijk in één keer doden, maar soms niet. Zoals kippen.

De garnaaltjes waren trouwens tamelijk smaakloos, geef mij maar gekookte of gebakken garnalen.

Octopus

In het enge-dingengesprek gaat het eerder over grotere, levende dieren – bijvoorbeeld een bewegende octopus in een Japans buffet. Al moet ik er ook niet aan denken een levend muisje te moeten eten. In een verhaal van Anton Koolhaas hapt een snoek een muis op, maar hij vindt dat ‘hete bewegen’ in zijn bek zo onaangenaam dat hij zijn kaken weer openspert. „De snoek had het zó’n rottig gevoel gevonden, die vier pootjes trappend diep in zijn bek.”

Ja dat begrijpen we wel.

Na een poosje bladeren in Panda, waarin je ook ziet hoe een wurgslang een heel hert naar binnen propt, krijg je zin in heel onschuldig eten. In een kopje koffie met appeltaart of zoiets.

Maar zo onschuldig blijkt dat niet te zijn. Het milieu, leerde ik uit dit magazine, wil eigenlijk ook niet dat we nog koffie drinken. „Voor het maken van één kopje koffie is gemiddeld 140 liter water nodig.”

Dat is niet best. En dan praten we nog niet eens over de Nespresso-cupjes van aluminium die allemaal ook nog weggegooid worden.

Het leven valt weer eens niet mee. De kaas die ik op de lof smolt, is ook niet goed, want zuivel is net zo’n milieuramp als vlees.

Spel

Daar gaan we het met de feestdagen maar niet aan tafel over hebben, lijkt me. Niet dat het niet waar is, maar gezellig is anders. Ik kreeg onlangs een spel opgestuurd dat speciaal bedoeld is om mooie gesprekken aan tafel te genereren. (Zie: verhalenspel.nl) Je draait aan een tolletje en dat wijst naar een klein servetje waarop bijvoorbeeld een vorkje staat. Bij het vorkje hoort de vraag: ‘Hoe biologisch is jouw eten?’ ‘Waar kies je voor, lekker of verantwoord?’

Lijkt me een fijn onderwerp bij de verrukkelijke meringuerol van Ottolenghi die twee weken geleden in de DeLUXE stond en waar, o heilige Sinte Seizoenen, frambozen in zitten. Hoe verantwoord is dat? Niet zo. Maar hoe lekker? Geweldig. Er zijn ook vragen als ‘Hoe kook je als je alleen eet?’ Of, meer in de richting van de levende muis: ‘Wat heb je ooit echt met tegenzin gegeten?’

Een goede gespreksaanjager dunkt me. Net als die uil en die slang van het Wereld Natuur Fonds. Die eten gewoon schuldeloos wat ze eten. Die hoeven geen frambozen met Kerstmis, die hebben het makkelijk. Muizen, met hun enge, trappelende pootjes in je mondholte, zijn altijd in het seizoen.

    • Marjoleine de Vos
    • Holger Niehaus