Aan de Tapanahoni zijn zwarte Surinamers al eeuwen vrij

Al in de zeventiende eeuw liepen slaven weg van Surinaamse plantages. Een grote groep noemde zich ‘de vrije negers van agter Auka’, oftewel Okanisi. Uiteindelijk hielden Nederlanders op zich met hen te bemoeien.

Eén groep Surinamers deed dit jaar niet mee met de herdenking van 150 jaar afschaffing van de slavernij. „Dat gaat ons niet aan”, zeggen ze, „wij hebben onszelf bevrijd.” Zij zien de jaarlijkse viering als een feestje van ‘stadscreolen’: nazaten van in 1863 bevrijde slaven.

En zij, zij zijn Marrons, nakomelingen van slaven die al vroeg wegliepen van de plantages en een vrij bestaan opbouwden, diep in het regenwoud. Zij hebben een eigen geschiedenis, van al ruim drie eeuwen. Voor het eerst is nu van een Marron-gemeenschap de geschiedenis opgetekend: de Okanisi in het zuidoosten van Suriname. Er was een vasthoudend onderzoeker voor nodig.

In 1961 trok Bonno Thoden van Velzen als pas afgestudeerd antropoloog samen met zijn vrouw en collega Ineke van Wetering naar Suriname om onderzoek te doen bij de Okanisi aan de Tapanahoni, een zijtak van de Marowijne. Zij woonden anderhalf jaar in het dorp Diitabiki, de hoofdplaats van deze Aukaners, een paar dagen varen vanaf de monding van de Marowijne. Thoden promoveerde in 1966 op een boek over de nauwe band tussen politiek en religie bij de Okanisi. Van Wetering verdedigde in 1973 haar dissertatie over het Okaanse hekserijgeloof.

Nu, een halve eeuw en twee professoraten later is Thoden van Velzen inmiddels tachtig jaar oud en schrijft hij nog steeds over de Okanisi. Hij heeft dit jaar zijn magnum opus afgerond over hun geschiedenis: Een zwarte vrijstaat in Suriname. In twee delen, samen ruim 700 bladzijden. Co-auteurs zijn historicus Wim Hoogbergen (deel 1) en Thodens in 2011 overleden vrouw Ineke (deel 2). Het werk is gebaseerd op archiefmateriaal en mondeling overgeleverde verhalen. Zijn boek laat zien dat op deze manier de geschiedenis van een schriftloos volk wel degelijk valt te reconstrueren.

De Okanisi hebben een andere geschiedenis dan de rest van Suriname. Door hun lange verzet tegen de plantagekolonie verwierven zij een grote mate van autonomie. Het koloniale bestuur zag zich gedwongen een vredesverdrag met hen te sluiten en riep zelfs hun hulp in toen een andere groep Marrons plantages bleef aanvallen. In het binnenland ontstond een samenleving die deels voortbouwde op de Afrikaanse erfenis, deels op sociale verbanden die in de Nieuwe Wereld waren ontstaan.

De Okanisi speelden een tot nu toe onderschatte rol bij de ontwikkeling van Suriname. Na de onafhankelijkheid raakten zij in het verdomhoekje, maar zodra ‘Paramaribo’ zich tegen hun zin met hen bemoeit, komen ze op voor hun autonomie.

Ouderen noemen zichzelf nog steeds Businengee (bosnegers), maar jongeren geven de voorkeur aan ‘Marron’, de verzamelnaam voor weggelopen slaven en hun nazaten in het hele Caraïbische gebied. De Marrons van de Tapanahoni noemen zich Okanisi of Aukaners. Ook die naam heeft een geschiedenis.

In een bungalow vol boeken in de bossen bij Huijbergen (Noord-Brabant) vertelt Thoden bedachtzaam: „In achttiende-eeuwse documenten heten zij ‘De Vrije Negers van Agter Auka’. Auka (door Marrons uitgesproken als Oka) was een plantage aan de bovenloop van de Surinamerivier. Vandaar hebben weggelopen slaven een bospad gekapt naar het zuidoosten, in de richting van wat tegenwoordig het Lelygebergte heet. Andere Marrons, van plantages langs de Cottica, Commewijne en zijrivieren, voegden zich bij hen. Vanaf circa 1740 begint de verhuizing naar de Tapanahoni-rivier die rond 1780 is voltooid.”

In de loop van de tijd ontstond daar een geheel eigen samenleving, die leefde van jacht en tuinbouw. Nu verzorgen Okanisi ook het vervoer over de rivieren en zoeken ze naar goud. De Aukaners bestaan uit drie federaties van dorpen, met elk een eigen godheid en cultus, en telt veertien clans.

De familiebanden die de grondslag vormen van die clans gaan mogelijk terug op de tijd van de plantages. De clannamen herinneren daar ook aan. Zo heet de clan van de gaanman – het grootopperhoofd van alle Okanisi – Otoo, naar plantage-eigenaar Otto. De clan Ansu is genoemd naar de planter Paul Amsincq; en de clan Dikan naar de Zeeuwse plantersfamilie De Camp.

Indianenoorlog

Al vrij snel na de vestiging van de plantagekolonie Suriname in 1651 begonnen slaven weg te lopen. In 1678 begonnen de inheemse Caraïben en Arowakken een guerrilla tegen de kolonisten, waarbij zich ook weggelopen slaven aansloten. Na de zwaar bevochten overwinning van de Europeanen trokken de indianen dieper het binnenland in. Thoden: „De blanken die halverwege de achttiende eeuw contact legden met ‘Aukaners’ in het binnenland hoorden dat hun eerste leider, ene Andries, zich al tijdens de ‘Indianenoorlog’ had onttrokken aan het plantageregime.”

Groepjes jonge Marrons vielen af en toe plantages aan en dan liepen meer slaven weg. Het koloniaal bestuur liet hen achtervolgen, maar de soldaten wisten niet even goed de weg in het bos als de achtervolgden. Toen de overvallen aanhielden, besloot het gouvernement in 1757 contact te zoeken. Uiteindelijk sloten de Okanisi en het bestuur in 1760 een formeel vredesverdrag. Men zou elkaar voortaan met rust laten. Thoden: „De Okanisi kregen geschenken – die ze zelf beschouwden als genoegdoening voor het ondergane leed – en beloofden dat ze nieuwe weglopers voortaan zouden terugsturen. Daar hebben ze zich overigens niet altijd aan gehouden.”

De gaanman moest een eed van gehoorzaamheid zweren aan het gouvernement en er werd een Europese ‘posthouder’ geplaatst bij de Okanisi, maar er werd hun een grote mate van autonomie gegund. Thoden: „De oude verhalen die Aukaanse ‘geschiedverhalers’, specialisten in de orale traditie, mij vertelden over de onderhandelingen en het vredesverdrag komen in grote mate overeen met de officiële verslagen en correspondenties die collega Hoogbergen aantrof in het Nationaal Archief.”

Zulke treffende overeenkomsten bestaan er ook tussen mondelinge overleveringen en koloniale rapporten over de oorlog die in 1792-’93 is uitgevochten tussen Okanisi en Aluku-Marrons. In het midden van de achttiende eeuw had zich dichtbij het plantagegebied een nieuwe groep Marrons gevormd, de Aluku. Zij waren op hun vlucht niet het bos ingetrokken, zoals de Okanisi, maar voeren de Marowijne op en vestigden dorpen in Frans-Guyana.

Okanisi en Aluku stonden lang op goede voet en er werd onderling getrouwd. Maar in 1789 begon Boni, het oorlogshoofd van de Aluku, plantages in Suriname aan te vallen. Thoden: „De schermutselingen tussen Boni’s volgelingen en het koloniale leger kregen het karakter van een vernietigingsoorlog. Zij werden steeds hoger de Marowijne opgedreven tot zij dichtbij de dorpen van de Okanisi kwamen. Veel Okanisi wilden zich afzijdig houden, maar dat veranderde toen Boni’s zoon, in opdracht van zijn vader, de residentie van de Okaanse gaanman aanviel. Enkele clans van de Okanisi besloten terug te slaan. Bewapend door de Nederlanders slaagden zij er in dorpen van de Aluku te vernietigen, waarbij Boni gedood werd.”

Thoden merkte dat Okanisi hieraan terugdenken met een mengeling van trots en schaamte. „Ze hadden zich kranig geweerd, maar zich ook voor het karretje van de Bakaa (blanken) laten spannen. Dat is nu de communis opinio onder Okaanse geschiedverhalers.”

In de eerste helft van de negentiende eeuw werden de contacten tussen Okanisi en het bestuur schaarser. Na de emancipatie van de slaven in 1863 werd het ambt van posthouder opgeheven. Een probleem met weglopers bestond niet meer en van die ‘halve wilden’ in het bos ging geen dreiging meer uit.

Terwijl de bestuursbemoeienis afnam, speelden Okanisi en andere Marrons een steeds belangrijker rol in het economische herstel van Suriname na de afschaffing van de slavernij. Alle hout voor de markt werd door hen gekapt. En toen in 1885 goud werd gevonden aan de grens van Frans Guyana en Suriname, kwamen gelukszoekers uit de hele wereld erop af. De opvoer van mensen en materiaal liep via rivieren en het riviertransport werd een monopolie van Marrons. Anders dan de houtkap was de vrachtvaart een aangelegenheid van ondernemende eenlingen. Hun geldinkomen ondermijnde het egalitaire karakter van de Okaanse samenleving. Thoden: „Als vrachtvaarders (bagasiman in Okatongo) na maanden terugkeerden in hun dorp, wilde de gemeenschap delen in hun voorspoed. In een samenleving waar geloof in hekserij diepe wortels heeft, waren deze nieuwe rijken beducht voor de afgunst van arme familieleden.”

Het was dan ook geen toeval dat de Okaanse maatschappij in de loop van de negentiende eeuw werd geschokt door religieuze turbulentie. Die nam de vorm aan van profetische bewegingen, zoals die rond de sjamaan Dikii (ca. 1800-1870). Als jongeman maakte hij tegen betaling jacht op weggelopen slaven, later werd hij onder Okanisi bekend als zoon van de godheid Tata Ogii (Geduchte Vader). Uiteindelijk werd hij bestempeld tot heks en na zijn dood onbegraven achtergelaten in het bos, als prooi voor aaseters. Deze heftige gebeurtenissen zijn alleen te reconstrueren aan de hand van mondelinge overleveringen; geschreven bronnen ontbreken.

Discriminatie

Na de onafhankelijkheid in 1975 vertrokken veel Surinamers naar Nederland. Een aantal opengevallen plaatsen in de economie van Paramaribo werd opgevuld door Okanisi en andere Marrons. Daar stuitten ze vaak op minachting en discriminatie.

„Het eerste wat soldaten van het Nationaal Leger deden als ze bussen aanhielden, was mensen met een wat donkerder huid – die hebben Marrons vaak – eruit halen, half ontkleden en als ze amuletten op hun lichaam droegen, opsluiten. Zo kon het Jungle Commando van Ronnie Brunswijk, een Aukaner, groeien, en in 1986 brak de Binnenlandse Oorlog uit.” Deze burgeroorlog tussen het leger van Bouterse en het Marronlegertje van Brunswijk duurde tot 1992.

‘Paramaribo’ heeft nog steeds weinig belangstelling voor het binnenland, tenzij er economische belangen op het spel staan. Zoals het enkele jaren geleden gelanceerde Tapanahoni-Jaikreek project (Tapajai), bedoeld om de hydro-elektrische capaciteit van Suriname fors uit te breiden. Gevolg zou zijn dat de waterafvoer via de Tapanahoni zo sterk zou afnemen dat die buiten de regentijd niet meer bevaarbaar zou zijn voor korjalen. Okaanse dorpen zouden voor hun bevoorrading zijn aangewezen op kostbare luchtvracht.

Maar sinds de Binnenlandse Oorlog zijn de verhoudingen veranderd. De regering-Bouterse steunt nu op de partij van Brunswijk. Thoden van Velzen vertelt: „In het binnenland ontstond een agressieve stemming tegen ‘Tapajai’. Okanisi zeiden tegen mij: ‘Wij zijn hier allemaal tegen, van het kleinste kind tot de oudste grijsaard’. Brunswijk heeft Bouterse toen duidelijk gemaakt: dit kan ik niet verkopen; dan wordt het oorlog.” Op 7 november jl. heeft Bouterse het project afgeblazen.

‘Vrijstaat’ in de titel van Thodens geschiedenis van de Okanisi betekent niet alleen dat men in het binnenland, dankzij de onverschilligheid van Paramaribo, min of meer zijn eigen gang kan gaan. Het jongste conflict laat zien dat Okanisi ook bereid zijn op te komen voor hun autonomie. En die lijn trekken ze door: in januari 2014 installeren zij in de hoofdplaats Diitabiki een nieuwe gaanman.

    • Dirk Vlasblom