Ze noemen hem de stem van België

De Brusselse zanger Stromae brak door met ‘Alors on danse’ Hij wordt wereldwijd omarmd door dancefanaten en hiphoppers, maar ook door liefhebbers van Franse chansons „Ik ben geen snob

Illustratie Thinkstock

Een liedje om een zomers gevoel op te roepen, zo werd ‘Papaoutai’ recent aangekondigd op de Nederlandse radio. Verrassend, voor een nummer dat gaat over opgroeien zonder vader en zinnen bevat als ‘Tout le monde sait comment on fait des bébés, mais personne sait comment on fait des papas’. (‘Iedereen weet hoe je baby’s maakt, maar niemand weet hoe je vaders maakt.’) De Brusselse zanger Stromae lacht: „Iets een zomerhit noemen is niet per se negatief. Het wil niet zeggen dat je er niet over kunt nadenken.”

De 28-jarige Paul van Haver, zoals Stromae in het echt heet, is een Belgisch muziekfenomeen. ‘Papaoutai’, van zijn nieuwste cd Racine Carrée (vierkantswortel), heeft recent de mijlpaal van 80 miljoen hits overschreden op YouTube. Zijn liedjes worden omarmd door dancefanaten en hiphoppers, maar ook door liefhebbers van Franse chansonniers. Het gemak waarmee hij droefgeestige teksten combineert met dansbare beats leverde Stromae profielen op in bijvoorbeeld The New York Times en The Guardian.

In ‘Alors on Danse’, waarmee Stromae doorbrak, schetst hij bijvoorbeeld een generatie die danst om vermoeidheid, werkeloosheid en derdewereldproblematiek te vergeten. Het stond op nummer 1 in vijftig landen. Ook Nederland ontdekt nu dat hij meer maakt dan simpele springmuziek.

De fotogenieke Van Haver – lang, mager, mokkakleurig en met uitgesproken jukbeenderen – benadrukt tijdens een bezoek aan Amsterdam dat hij zich zelf niet bezighoudt met het type publiek dat hij aanspreekt. Van Haver: „Ik ben geen snob, ik maak geen muziek specifiek voor intellectuelen of voor de massa.” Voor hem is de combinatie van dance en diepgang evident. „Ik houd zelf van dancemuziek en dans bijvoorbeeld graag op ‘Fuck dat Bitch’ van Young Dro. Tegelijkertijd heb ik geen zin om te zingen wat Young Dro zingt. Ik ben in België opgegroeid, wij praten niet op die manier tegen vrouwen en mijn levenswijze verschilt van die in de VS. Ik wil vertellen over het echte leven. En dat bestaat uit relaties, kinderen en ziektes.”

Down op de dansvloer

Ook op de dansvloer kun je het volgens hem over zaken als kanker hebben. Van Haver: „Nachtclubs maken evengoed deel uit van het leven als de plek waar je werkt. Ik vind het mooie dat je er alles uitvergroot ziet, niet enkel euforie maar ook mindere momenten. Niemand is heel de tijd gelukkig en omdat iedereen in nachtclubs geforceerd een glimlach op het gezicht heeft, zie je de downs goed.”

Van Haver schrijft eerst de muziek, de opzwepende ritmes, van een nummer, vervolgens bedenkt hij een zanglijn. Tot slot voegt hij teksten toe. „Bij Formidable merkte ik bijvoorbeeld dat de muziek iets weg had van Mozarts Sarabande.” Met zijn lange vingers begint hij luchtpiano te spelen en te neuriën. „Er zit een soort golfbeweging in, op en neer, een apotheose waarop alles goed gaat gevolgd door een moment waarop het allemaal in elkaar stort. Dat inspireerde me tot het refrein: ‘Tu étais formidable, j'étais fort minable.’ (‘Jij was geweldig, ik was een ellendeling.’) Vervolgens heb ik het verhaal en het personage gecreëerd.”

Want dat is wat Van Haver naar eigen zeggen doet: personages scheppen. Inspiratie vindt hij hiervoor bij Franse chansonniers. „Ik luister af en toe naar mensen als Aznavour en Brel, maar niet meer dan naar hedendaagse muziek. Ik kijk wel goed naar de manier waarop ze hun muziek brachten. Ze speelden op het podium een personage uit hun liedjes.” Dat inleven neemt Van Haver ernstig. In online fragmenten van zijn volgende clip van ‘Tous les mêmes’ is hij getransformeerd tot een vrouw die haar beklag doet over haar partner. Voor de clip van ‘Formidable’, over een man die verlaten is, wandelde hij zelf schijnbaar dronken en verward door Brussel en liet zich filmen met een verborgen camera.

Van Haver vertelt dat zijn nummers slechts voor twintig procent gebaseerd zijn op eigen ervaringen. ‘Papaoutai’ gaat dus niet enkel over hoe hij zelf vaderloos bij zijn Belgische moeder opgroeide. Zijn Rwandese vader zag hij gedurende zijn leven slechts enkele malen, hij overleed tijdens de genocide toen Van Haver negen was.

Stem van een generatie

Op zijn album neemt halfbloed Stromae de concepten nationaliteit en identiteit geregeld op de korrel. Sommigen bombardeerden Stromae spontaan tot de stem van een nieuwe generatie Belgen voor wie klassieke tegenstellingen geen rol meer spelen. „Ben je Waal of Vlaming, macho of homo, bruin of wit”, roept hij drammerig in het nummer ‘Bâtard’ (Bastaard), over de onzinnige keuzes die mensen worden opgedrongen.

Tijdens een optreden in Brussel sprak hij zijn toeschouwers toe met: „In Brussel spreken we Frans én Vlaams, oké!” Maar meestal haalt de zanger het thema nationaliteit aan met meer tongue in cheeck, zoals in het vrolijke ‘Moules Frites’.

Het lied is vernoemt naar een nationaal gerecht, maar gaat over soa’s. Belgische mosselen zijn synoniem voor vrouwelijke geslachtsorganen. In het nummer klinkt een zwierig Congolees achtergrondkoor. Met zijn herkenbare rollende ‘r’ zing hij: ‘Polo aime les moules frites, sans frites et sans mayo. Mais il aurait du s’en méfier Polo. Car on n’sait où elle s’est baignée plus tôt.’ (‘Polo houdt van mosselen met friet, maar zonder friet en mayo. Maar Polo zou waakzaam moeten zijn. Want je weet nooit waar ze eerder hebben gezwommen.’) Van Haver: „‘Moules Frites’ is ook een knipoog naar het nummer ‘Annie aime les sucettes’ dat Serge Gainsbourg schreef voor France Gall. Iedereen vond het in 1966 geweldig dat een oudere man een jong meisje liet zingen over liefde voor lolly’s, maar ik vind het verschrikkelijk. We zouden dat nu pedofilie noemen.” Het loopt bij Stromae niet goed af met Polo, die net als Annie van orale seks houdt, maar niet voorzichtig is.

Muziek als wiskunde

De titel van zijn nieuwe album, het symbool van de vierkantswortel, verwijst volgens Stromae naar roots of wortels, maar ook naar zijn berekende werkwijze. „Ik maak muziek zoals Escher tekeningen maakte, haast wiskundig. Ik stel vooraf diagrammen op en probeer mij daar zo veel mogelijk aan te houden. Ik bepaal vooraf dat nummers bijvoorbeeld twintig procent salsamuziek bevatten, twintig procent Congolese rumba, twintig procent dance en twintig procent trapmuziek (een combinatie van hip hop, dubstep en dub).”

Zelfs bij de selectie van verschillende muzikale elementen is de Belg berekenend. „Mijn eerste album was een mix van dance, hiphop en chanson. Bij een tweede album kun je niet iets volledig nieuws doen, maar ook niet exact hetzelfde. Ik moest dus nieuwe ‘ingrediënten’ zoeken. Voor mij was de keuze logisch: salsa, want dat zit al een beetje in het eerste album, rumbagitaren en trap. Omdat je in die laatste groove en Afrikaanse wortels hoort.”

Niet alleen in zijn muziek mixt Stromae stijlen, ook in zijn look. In Amsterdam heeft hij een T-shirt aan dat lijkt op zijn outfit uit ‘Papaoutai’: nette dandykleding in kleurtjes en motieven die je op Afrikaanse markten verwacht. Alweer weldoordacht, zo blijkt: „Voor mij zijn niet enkel de teksten en muziek een expressiemiddel, maar evengoed kleding en videoclips.” Van Haver noemt Stromae een groepswerk: „Ik ben het gezicht en de woordvoerder, maar mijn kledingontwerper maakt er evengoed deel van uit.” Net zoals zijn choreografen. Van Haver: „Toen ik zei dat ik meer choreografieën tijdens optredens wilde, keek mijn broer (die ook werkt voor Stromae) me vreemd aan. Het woord choreografie heeft een slechte naam door nietszeggende achtergronddansers.” Hij noemt als voorbeeld hoe het wel moet, het contrast tussen de ‘immobiele’ vader en zijn bewegelijke zoon in de clip van ‘Papaoutai’. „Als het in ‘het verhaal’ een doel heeft, moet je het gewoon doen.”

Op 2 april 2014 staat Stromae in de Heineken Music Hall, de kaartverkoop begint vandaag.

    • Sabeth Snijders