Wat joden van toen en nu verbindt

In het eerste deel van zijn tweedelige geschiedenis hanteert de Britse historicus Simon Schama een ruime definitie van het jodendom. Hij vat het breder op dan de norm van de religieuze autoriteiten.

Muurschildering ‘De dochter van de farao vindt Mozes’ uit de derde eeuw in de synagoge van Doera-Europos, een oude versterkte grensstad aan de bovenloop van de Eufraat. Uit besproken boek

De geschiedenis van de joden, ga er maar aan staan. De historicus die eraan begint, kiest voor een onderwerp dat drie millennia bestrijkt, verspreid ligt over zes werelddelen en is gedocumenteerd in zo’n beetje alle menselijke talen. Het grootste probleem is echter niet de omvang van het onderwerp, maar de simpele vraag wat een jood is. Het is al een positiebepaling dat ik het woord hier schrijf met een kleine letter: ik leg daarmee de nadruk op religie, maar Joden zijn tevens een volk.

Het sociologische probleem wat iemand tot lid van een geloofsgemeenschap maakt, is serieuzer dan onze onpraktische spellingsregels. Er zijn ruwweg twee antwoorden. Het eerste is dat je de officiële criteria van de religieuze autoriteiten aanvaardt. Dan komt er echter een moment waarop je mensen die zichzelf rekenen tot een religie, moet beschouwen als afvalligen, assimilanten of ketters. Een voorbeeld zijn de huidige messiasbelijdende joden, die zichzelf omschrijven als joden die geloven dat Jezus de messias was, maar die door slechts een enkele joodse autoriteit als geloofsgenoten worden erkend. Het tweede antwoord is dat je iemand als gelovige beschouwt als hij zichzelf zo ziet, maar dan loop je het risico dat de grenzen zo vaag worden dat er niets meer is wat de gelovigen alleen delen met elkaar en niet met buitenstaanders.

Deze complicaties hebben Simon Schama er niet van weerhouden het tweedelige The Story of the Jews te schrijven. En als ik hieronder aangeef dat hij een selectie maakt waarmee de lezer niets opschiet, laat dat onverlet dat ik blij ben dát er een synthese is. In deel 1, Finding the Words. 1000 BCE – 1492 CE, behandelt hij de Oudheid en Middeleeuwen. Hij kiest voor de tweede van genoemde benaderingen en schrijft ook over mensen met andere opvattingen dan de toenmalige autoriteiten.

Geschonden gebod

Meteen in het eerste hoofdstuk is het raak, als Schama de joodse soldaten beschrijft die in Boven-Egypte het Perzische Rijk bewaakten en een eigen tempel hadden. Daarmee overtraden ze de regels van Bijbelboek Deuteronomium, dat voorschrijft dat er maar één tempel voor de ene God mag zijn en dat die moet staan in het land van Israël. De Egyptische joden kenden of erkenden Deuteronomium dus niet. Schama suggereert dat de autoriteiten in Jeruzalem deze assimilanten liever kwijt dan rijk waren. Hijzelf beschouwt de soldaten wel als deel van zijn verhaal en trekt zich dus niets aan van het officiële jodendom.

Gelukkig maar, want leven en opvattingen van de Egyptische joden vormen een fascinerend verhaal. Ruim tweehonderd pagina’s later worden we echter geconfronteerd met de consequenties van Schama’s ruime definitie van het jodendom: deze dwingt hem om ook uitgebreid in te gaan op de islam, die in een joods milieu is ontstaan. Dat levert opnieuw een fascinerend verhaal op, en het is zeker niet verkeerd te benadrukken hoe belangrijk het joodse erfgoed is voor de islam, maar er gaat conceptuele scherpte verloren.

Dat is echter onvermijdelijk. Al een eeuw geleden wisten godsdiensthistorici dat religies van ambiguïteiten en inconsistenties aan elkaar hangen en dat elke poging scherp te definiëren, gedoemd is te mislukken. Schama’s geschiedenis van de joden is echter wel heel breed geworden en als hij daarom, zoals óók onvermijdelijk was, gaat selecteren, wringt het.

Zo is het wonderlijk dat hij wél de anti-joodse polemiek van de christelijke auteurs uit de Late Oudheid behandelt en citeert, maar nergens vermeldt dat de door de kerkvaders gebruikte invectieven (allerlei manieren om de tegenstander te associëren met de duivel) zijn overgenomen uit intern-joodse polemiek. Schama moffelt dus een niet zo sympathieke maar wel reële bijdrage van het jodendom aan het christendom weg. Nog wonderlijker is dat hij niet ingaat op het joodse antwoord aan de christenen: de wijze waarop de samenstellers van de Talmoed Jezus ridiculiseerden. Schama presenteert de laatantieke joden als alleen maar deemoedige slachtoffers die zelfs niet terugschelden.

Een andere omissie vloeit voort uit de opzet van The Story of the Jews. Omdat Schama het jodendom breder opvat dan de norm van de religieuze autoriteiten, concentreert hij zich meer op het leven van gewone mensen dan op geleerde discussies. Maar ook de schriftgeleerden waren joden en ook hun opvattingen maken deel uit van de joodse geschiedenis, hoe wonderlijk hun discussies ook overkomen op een seculiere, 21ste-eeuwse lezer.

Zo blijft Schama, ondanks zijn brede opzet, toch eenzijdig: de aspecten van het jodendom die ons treffen als vreemd, laat hij achterwege, terwijl hij keer op keer benadrukt wat de overeenkomsten zijn. Uiteraard zijn die overeenkomsten er ook: Schama heeft ongetwijfeld gelijk als hij constateert dat een zekere boekenliefde de joden toen en nu niet vreemd is. Hij slaat echter door als hij deze overeenkomsten op voorhand veronderstelt en bijvoorbeeld een collega-historicus een veeg uit de pan geeft omdat deze in een beschrijving van de Grote Synagoge van Alexandrië niet heeft herkend dat deze lijkt op een hedendaagse sjoel. Wellicht heeft Schama gelijk, maar kennis van het hedendaagse jodendom is even vaak misleidend als verhelderend en hij neemt erg makkelijk aan wat hij moet bewijzen: dat dingen die hetzelfde lijken ook hetzelfde zijn.

Rituele reinheid

Wat ontbreekt in The Story of the Jews is het vreemde, het verontrustende. Wie in Assen de expositie heeft bezocht over de Dode Zee-rollen, kent het belang van rituele reinheid in het jodendom en weet dat de vraag hoe ritueel rein water moest worden overgeschonken, de gemoederen danig bezighield. Wat ons daarbij treft is de heftigheid van de polemiek: de tegenstanders maken elkaar uit voor duivels en gunnen elkaar het licht in de ogen niet. Het is schokkend dat schriftgeleerden bereid waren over ons inziens triviale kwesties zulke radicale standpunten in te nemen. Juist die schok is echter waardevol: ze ontregelt ons en relativeert onze eigen waarden.

Schama besteedt er geen woord aan: hij legt de nadruk op wat de joden toen en nu verbindt en legt daarmee het historische jodendom in het procrustesbed van het hedendaagse. Dat is te begrijpen: het maakt de beschreven gebruiken en opvattingen herkenbaarder en draagt dus bij aan de toegankelijkheid. The Story of the Jews is inderdaad een feest om te lezen: de stof is gevarieerd en Schama’s stijl varieert van formeel tot spreektaal. Het nadeel is echter dat het boek de lezer zelden een vooroordeel ontneemt. Selectie is bij een zo breed en lang onderwerp niet te vermijden, maar Schama heeft zich beperkt tot wat aangenaam is. The Story of the Jews is daardoor vooral behaagziek.