Terug naar Robbeneiland

Niet alle medegevangenen van Nelson Mandela hebben Robbeneiland verlaten Dumisani Mwandla gidst toeristen door de cellen Hij woont er nu in een cipierswoning

Nelson Mandela in de cel op Robbeneiland waar hij 27 jaar gevangen zat. Foto CORBIS

correspondent in Zuid-Afrika van 2009 tot 2012

Vijf jaar lang zat Dumisani Mwandla (52) vast op Robbeneiland als politieke gevangene. Hij was actief voor Umkhonto we Siszwe, de door Nelson Mandela begonnen gewapende vleugel van het ANC, totdat een dubbelspion zijn eenheid verried.

Sinds 2007 is Mwandla terug op het beruchte gevangeneneiland waar ook Mandela achttien jaar achter de tralies zat. Hij woont er met zijn studerende zoon in een van de cipierswoningen en werkt als gids voor het Robbeneiland-museum.

„Een betere plek om je oude dag door te brengen ken ik niet”, lacht Mwandla, uitgestrekt op de bank in zijn huis. „Je zit vlakbij de grote stad, maar leeft middenin de natuur. Waar anders in Zuid-Afrika hoef je ’s nachts de deur niet op slot te doen?”

Een paar huizen verderop woont sinds 1970 ex-gevangenbewaarder Albertus Basson (61). Op het eiland staat de bonkige Afrikaner bekend als ‘Oom Das’. „Het was tijdens de apartheid een eer om op Robbeneiland aan het werk te mogen”, zegt hij. „Echt een promotie. Je had het idee dat je iets goeds deed.”

Ex-cipier Basson vaart tegenwoordig in dienst van het museum toeristen van Kaapstad naar het eiland en weer terug. Op de veranda van Basson drinken de ex-gevangene en de ex-cipier aan het eind van de werkdag geregeld een glaasje wijn. „Dan halen we herinneringen op”, glimlacht Mwandla. „Mandela, Govan Mbeki, Tokyo Sexwale: ik heb ze hier allemaal meegemaakt”, zegt Basson over kopstukken van het Afrikaans Nationaal Congres (ANC) die gevangen zaten.

Robbeneiland is Zuid-Afrika in het klein. Nergens wonen slachtoffers en uitvoerders van de apartheid zo dicht op elkaar, nergens was de door Mandela bepleite noodzaak tot verzoening zo groot als hier.

In 1991 sloot de maximum security prison voor politieke gevangenen en in 1996 de gevangenis voor criminelen. Een jaar later opende Zuid-Afrika de deuren van de cel van Nelson Mandela als toeristische attractie.

‘Ons dien met trots’, staat er nog altijd op de fleurige toegangspoort tot het gevangeniscomplex. Ooit woonden op Robbeneiland 2.000 mensen, de gevangenen niet meegerekend. Nu is het aantal permanente inwoners gedaald tot zo’n 160 man. Iedereen werkt voor het museum.

Het eiland leeft op het ritme van de boot uit Kaapstad. Voor dag en dauw arriveren de museummedewerkers die aan wal wonen. Dan rijden de eerste busjes en bestelwagens naar de haven. Kinderen van eilandbewoners die in Kaapstad naar de middelbare school gaan, varen mee terug naar de stad. Daarna is het wachten op de dagelijkse stroom toeristen. Om half 10 arriveert de eerste van vier bootladingen.

De bezoekers horen tijdens een bustour over de geschiedenis van het eiland als koloniale gevangenis, als leprozenkolonie en als symbool van het internationaal protest tegen de de rassenscheiding. Onderweg kruisen ze overstekende pinguïns.

En er is een korte pauze bij het winkeltje van Christo Brand, jarenlang persoonlijk cipier van Nelson Mandela. Mannen als Brand, schreef Mandela in zijn autobiografie, „versterkten mijn geloof in de wezenlijke menselijkheid van zelfs degenen die mij zevenentwintig jaar achter de tralies hielden”. De gewezen cipier verkoopt nu blikjes cola en ansichten van de Tafelberg.

De tour eindigt bij de zwaarbewaakte gevangenis met wachttorens, waar Dumisani Mwandla en andere ex-gevangenen de bezoekers naar Mandela’s cel leiden. Eén voor één fotograferen ze het grauwe hok.

De bewakers kregen in 1996, toen de gevangenis sloot, de keuze: overgeplaatst worden of bij het museum in dienst treden. „Dat was nogal een besluit”, zegt Frikkie Nel, die als verpleegkundige voor de gevangenis werkte en nu vanuit een provisorische ambulance eerste hulp aan toeristen en eilandbewoners biedt. „De mensen die bleven, wilden echt een bijdrage leveren, denk ik. Maar dat er over en weer geen hard feelings waren, had haast niemand verwacht. De ex-gevangenen die terugkwamen, wilden deel zijn van de nieuwe eilandgemeenschap.”

Het dorpje waar de medewerkers van het museum wonen, ligt vlakbij de voormalige gevangenis. Er staan zo’n honderd huizen, twee kerken, een lagere school (met veertien leerlingen) en een kleine winkel. De bar waar de bewakers vroeger bier dronken heeft wegens onmatige inname zijn deuren moeten sluiten.

Vroeger was Robbeneiland drukker, maar toch „één grote familie”, zegt Basson. Zijn kinderen groeiden hier op, zijn vrouw bestierde jarenlang de enige bank. „Je moet begrijpen: we werkten onder enorme druk. De hele wereld keek naar ons. Eens per jaar kwam het Rode Kruis om te zien of we de politieke gevangenen nog wel goed behandelden.”

Nu is er niet veel meer te doen, vindt hij. „Hele avonden breng ik voor de televisie door, dat is jammer. Maar een grote familie zijn we nog steeds, nu met nieuwe telgen.”

    • Peter Vermaas