Staat stimuleert vechtscheidingen

Al co-ouderen de ouders evenveel, toch krijgt één van de twee geen toeslagen voor het kind. Dat onderling regelen is een recept voor vechtscheidingen. Laat de overheid de verdeling maken, adviseert Marloes Elings.

Mijn accountant keek mij licht verbijsterd aan. ,,Waarom staat jouw dochter niet op jouw adres ingeschreven nu je co-oudert?” Streng somde hij op waar ik geen aanspraak meer op kan maken. Geen kindgebonden budget. Geen ouderschapsverlofkorting. Geen aftrek levensonderhoud voor kinderen, geen tegemoetkoming schoolkosten en ook geen alleenstaande ouderkorting. ,,Dit gaat je geld kosten.”

Hij zette mij aan het denken. En ik kwam tot de bizarre ontdekking dat de overheid vechtscheidingen stimuleert en vreedzaam co-ouderschap tegenwerkt. Ondanks de intenties van de ‘Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding’. Een stel met kinderen dat uit elkaar gaat, moet sindsdien een ouderschapsplan maken. En dat creëert vechtscheidingen. Scheidingsonderzoeker van de Universiteit Utrecht, Ed Spruijt, onderschrijft die stelling en signaleert een toename van het aantal conflicten bij echtscheidingen.

Al die vechtscheidingen kosten de samenleving geld. Als ouders er samen namelijk niet uitkomen, kan de rechter hen doorverwijzen naar een mediator. De kosten van deze mediation zijn voor de ouders. Maar minder daadkrachtigen kunnen aanspraak maken op de Wet op de Rechtsbijstand. 78 miljoen euro subsidie ging vorig jaar naar rechtshulp bij echtscheidingsgerelateerde zaken. Bijna drie keer zoveel als in 2002. Komt zo’n stel er met mediation niet uit, dan volgt weer een gang naar de rechter. Die kan advies vragen aan de Raad voor de Kinderbescherming. De verwachting is dat de Raad dit jaar 5.400 adviezen – á 16 miljoen euro – zal verstrekken. En voor de helderheid: dat is ongeveer 30 procent van alle echtscheidingen waarbij minderjarige kinderen zijn betrokken.

In deze schrap- en bezuinigingstijden is het opmerkelijk dat minister Asscher (Sociale Zaken) in zijn wetsvoorstel voor de vereenvoudiging van de zogeheten Kindregelingen – van 11 naar 4 regelingen – niets regelt voor ouders die de zorg voor de kinderen wél serieus nemen als zij scheiden. Iets dat de Sociale Verzekeringsbank (SVB) al in 1988 deed bij de invoering van het huidige kinderbijslagstelsel. De SVB geeft co-ouders sindsdien de mogelijkheid om de helft van de Kinderbijslag aan beide ouders uit te betalen. En ook de Belastingdienst is – deels – van deze tijd. Zo kunnen beide co-ouders gebruik maken van de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

Maar Asscher blijkt ouderwetser. De minister laat in zijn voorstel twee achterhaalde regelingen voortbestaan. En vergroot zo de kans op ruzie. Alleen de ouder waarbij het kind staat ingeschreven bij de burgerlijke stand kan een kindgebonden budget en kinderopvangtoeslag aanvragen. Ook al co-ouderen de ouders evenveel. En hebben zij evenveel kosten. Toch krijgt een van de twee helemaal niets.

Toen mijn accountant mij de les las, voelde ik mij opgelaten. Even later legde ik hem uit dat de vader en ik slechts tips van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) hadden opgevolgd. Dat adviseert co-ouders die één kind hebben, dit in te schrijven op het adres van de ouder met het laagste inkomen. Want ‘dit vergroot de kans aanspraak te maken op regelingen of een hoger bedrag’. Aangezien de vader het laagste inkomen had, werd onze dochter op zijn adres ingeschreven. Alle financiële voordelen zijn sindsdien voor hem. Het advies van het Nibud en de Sociale Verzekeringsbank om de ‘verdeling van het kindgebondenbudget en de kinderopvangtoeslag onderling te regelen’, hebben wij nooit opgevolgd. Geld blijkt namelijk een lastig onderwerp. Ook voor redelijk relaxte co-ouders.

Onze dochter op zowel het adres van haar vader als bij mij inschrijven zou de mooiste oplossing zijn. Maar dat zorgt voor zo veel andere problemen ( hoe tel je kinderen die op twee plekken in de burgerlijke stand bestaan?), dat zij niet realistisch is. Asscher oproepen co-ouders als gelijken te behandelen, is wel reëel. En het kan bovendien veel opleveren. Want de meeste co-ouders volgen het Nibud-advies. En dus staan kinderen ingeschreven op het adres van de co-ouder met het laagste inkomen. De overheid betaalt daardoor de volle mep. Als beiden aanspraak maken op de regelingen en ieder de helft krijgt uitbetaald, levert dat de overheid geld op. Want de co-ouder met het hogere inkomen krijgt nooit dezelfde vergoedingen als de co-ouder met het laagste inkomen.