Moeilijke jeugd

‘Joer boy has loffly kurls”, sprak een andere moeder me aan in de speeltuin in het Vondelpark.

„Dankuwel”, antwoordde ik.

„O pardon, ik dacht…” De moeder verfrommelde een snoetenpoetser in haar hand. „Nou ja, zijn krullen zijn prachtig. Dat wou ik maar zeggen.”

Ik lachte vriendelijk. Ik laat mijn zoontje expres op doordeweekse ochtenden of rond etenstijd uit, ik hou niet zo van smalltalk met andere ouders. Ik vermoed dat de andere moeder had willen zeggen dat ze dacht dat ik de au pair van mijn zoontje was. Kan gebeuren – het stikt hier in Amsterdam-Zuid van de nanny’s en het is waarschijnlijk een compliment; het zijn vaak Aziatische meisjes van hooguit 23. Toch denk ik op zo’n moment: wat doe ik hier, in Zuid? Niet alleen omdat ik geen au pair ben of heb, maar ik heb ook geen bakfiets, geen Golden Retriever, geen Gaastra jas en geen geld, of althans, niet zoveel als de gemiddelde George W.P.A. -gast. Wat ik wel heb is een Amsterdam-Zuid ‘r’ die klinkt als een ‘wr’, omdat ik ook in dit stadsdeel ben opgegroeid. Ook toen ik klein was, voelde ik me hier al niet helemaal op m’n plek. Ik herinner me nog goed dat ik thuis kwam van school en naar aanleiding van een gesprek van die dag met mijn klasgenoten uit groep 8 aan mijn vader (toen nog AT5-presentator en onbekend columnist) vroeg hoeveel ton hij eigenlijk per jaar verdiende. Mijn vader heeft ongeveer een uur gelachen om die vraag. Niet zomaar gelachen; gebulderd, met rollen over de grond, kletsen op z’n dijen en met vasthouden van zijn buik die schudde. Toen hij uiteindelijk „Schat, nog geen halve”, antwoordde, rende ik woedend naar mijn kamer. Het was al gênant genoeg dat wij ook al geen auto, geen videorecorder en – en dat was het allerpijnlijkste – geen badkamer hadden maar een douchecabine in de keuken. Zoiets hadden mijn vriendinnetjes nog nooit gezien. Soms verzweeg ik het ook of zei ik dat de badkamer „ergens boven” was. Maar we hadden helemaal geen ‘boven’. Boven woonde een oude vrouw, tante Lenie, een van de redenen dat mijn ouders het huis destijds voor zo weinig hadden kunnen kopen.

Ik kan me overigens niet herinneren dat ik ooit gepest werd met al deze dingen, ik vond het vooral zelf allemaal heel beschamend – iets waar ik me dan nu weer voor schaam. Ik werd juist gepest met mijn ‘wr’. Maar dat was niet op school (daar had iedereen ’m), maar in de vakantie. Ik ging van mijn 6de tot mijn 12de elke zomer een week naar een gesubsidieerd jeugdkamp voor stadskindjes, in Oosterhout. Ik was er de enige met die belachelijke, regionale kaktongval. Ik werd daar dan ook ‘Mawrscha’ genoemd.

„Hey, Mawrs, zeg nog eens wat grappigs?”

„Echt niet leuk, hoowr!”, zei ik dan. En dan lag heel Amsterdam-Noord en de Bijlmer (waar de rest vandaan kwam) weer dubbel. Ter compensatie deed ik overdreven mijn best bij alle wedstrijden, zoals de skippybalrace, zaklopen met een lepel met een rauw ei erop dat heel moest overkomen, hutten bouwen en vooral: de talentenjacht. Die laatste won ik met Ik voel me zo verdomd alleen van Ciske de Rat. Ik playbackte.

Zonder dat kamp was ik waarschijnlijk een hockeytrut geworden en heel ongelukkig, nu werd ik gewoon een kakmeisje dat soms „Krijg toch allemaal de kolere” zei – al klonk het nooit helemaal geloofwaardig.