Misleidende discussie over Europa in Nederland

Dat minister Timmermans zich afzet tegen Europese politici is een teken aan de wand. Europa dat zijn wijzelf, menen vier oudgedienden.

In Nederland lijkt de actuele discussie over de Europese Unie beperkt te zijn tot de vraag of wij in een Europese federatie moeten opgaan, dan wel de euro (ja zelfs de EU) vaarwel moeten zeggen. Dat is een misleidende voorstelling van zaken. Daarom heeft Neelie Kroes er goed aan gedaan op te roepen tot een inhoudelijk debat over Europa. Het schrikbeeld van sommigen, onder wie Frits Bolkestein, van een federaal Europa is absoluut niet aan de orde.

De Europese Unie is eigensoortig en zal dit ook blijven. Het is een unieke constructie met eigen instellingen en een eigen rechtsorde met door de lidstaten overgedragen of gedeelde bevoegdheden. De lidstaten hebben dit vrijelijk gedaan uit welbegrepen eigenbelang. De tegenstelling tussen nationaal en Europees bestuur is dan ook kunstmatig. Beide besturen zijn met elkaar verweven. Europees bestuur is sinds jaar en dag integrerend onderdeel van nationaal bestuur. Brussel dat zijn wijzelf. Minister Dijsselbloem wees er in zijn lezing voor het Huis van Europa terecht op dat 99 procent van de besluiten in Brussel genomen wordt door nationale ministers in het kader van Europese ministerraden.

Politici hebben evenwel nagelaten een en ander voor de burger inzichtelijk te maken. Dat een door de wol geverfde Europeaan als Frans Timmermans zich afzet tegen Europese politici is een teken aan de wand. Elke minister is ook Europees politicus als hij of zij deelneemt aan de talloze Europese Raden in verschillende samenstelling. Ook hebben zij constant overleg met hun nationale parlementen en leggen daar ook verantwoording af.

Het inhoudelijke debat zou moeten gaan over voor Nederland belangrijke zaken zoals de vervolmaking van de interne markt en de totstandkoming van de bankenunie. De interne markt is de levensader van de Nederlandse economie. Interne markt en een stabiele eurozone zijn nauw met elkaar verbonden.

Het is een hardnekkig misverstand dat de euro debet zou zijn aan de financiële en economische crisis. Het tegendeel is waar. Zonder het bestaan van de euro zou de crisis in de Europese Unie veel harder zijn aangekomen.

Inmiddels zijn de nodige stappen gezet om begrotingstekorten te beteugelen en macro-economische onevenwichtigheden tegen te gaan. Nederland heeft hier terecht een voortrekkersrol in gespeeld.

Het zogeheten ‘Europese semester’, met de bijzondere rol voor de Europese Commissie in het gemeenschappelijk begrotingstoezicht, is nu een feit zoals de begrotingsvoorbereiding voor 2014 heeft bewezen. Maar er zijn meer besluiten op Europees niveau nodig. Onlangs bespraken de ministers van economische zaken en financiën voor het eerst de begrotingssituatie in de EU als geheel, een nieuwe stap op weg naar meer macrofinanciële stabiliteit in de EU.

Voor economische groei en het scheppen van banen is een solide Europese bancaire sector een basisvoorwaarde. Het doel van een bankenunie is om te voorkomen dat overheden in problemen raken als banken dreigen om te vallen, zoals de afgelopen jaren in vele landen het geval was. Dat vereist een structurele oplossing op Europees niveau.

Daarom is de totstandkoming van een bankenunie cruciaal. Zeker voor een land als Nederland dat verhoudingsgewijs over een zeer grote en kwetsbare financiële sector beschikt. Dat laatste hebben wij inmiddels voldoende ervaren. De discussie over de bankenunie is momenteel in volle gang. Er zijn al belangrijke stappen gezet. Voorzien is dat vanaf september 2014 een aparte toezichthouder binnen de ECB (los van het monetaire toezicht) op de ongeveer 150 grootste Europese banken zal toezien. Tevoren voert de ECB een gezondheidscheck van de banken uit waarbij bankbalansen zullen worden doorgelicht, gevolgd door een herkapitalisatieproces. Nationale toezichthouders blijven in eerste aanleg belast met het toezicht op de kleinere banken, die vooral binnen nationale grenzen opereren.

Maar het volledig raamwerk van de bankenunie is niet af zonder overeenstemming over een Europees resolutiemechanisme. Dit moet zorgen voor een ordentelijk proces waarbij omvallende banken effectief kunnen worden afgewikkeld, zonder dat de kosten (zoals de afgelopen tijd ook in Nederland) bij nationale overheden terecht komen.

Ten slotte moet er ook een Europees fonds komen waardoor banken voldoende kapitaal behouden. Een belangrijk knelpunt is uiteraard de financiering daarvan. Uiteindelijk zal de bankensector daarvoor zelf moeten opdraaien, maar in een overgangsfase is een combinatie van nationale en Europese publieke verantwoordelijkheid het meest waarschijnlijk.

Een mogelijke oplossing kan zijn het gezamenlijke fonds pas aan te spreken als de direct betrokken lidstaat eerst zijn eigen aandeel in het fonds heeft geleverd. Ook het besturen van zo’n financieel mechanisme is van groot belang. Het beste zou zijn de eindverantwoordelijkheid bij de Europese Commissie te leggen.

Ondanks de bestaande problemen is aanvaarding voor het einde van dit jaar het meest waarschijnlijk. Daarvoor staat er te veel op het spel en is een akkoord tussen Frankrijk en Duitsland op dit punt te verwachten. Voor de toekomst van de Europese Monetaire Unie maar ook voor de dynamiek van de interne markt en daarmee voor de welvaart van de Europese lidstaten is een goed functionerende bankenunie van grote betekenis.

Het politieke debat over de toekomst van Europa en daarmee van Nederland moet over deze concrete zaken gaan. Tenslotte zijn Nederland en Europa twee zijden van dezelfde medaille.

E.P. Wellenstein is oud-directeur-generaal Europese Commissie, L.J. Brinkhorst is oud-minister, J.P.G. Kapteyn is oud-rechter Hof van Justitie EU, C. Trojan is oud-secretaris-generaal Europese Commissie.