‘Mandela was onwaarschijnlijk aaibaar’

Interview met Wim Kok

Nelson Mandela was erg gesteld op Nederland, maar op zijn Europese rondreis na zijn vrijlating zou hij ons land niet aandoen. Toenmalig vicepremier Wim Kok haalde hem toch over. „Hij was hors catégorie.”

Wim Kok, Nelson Mandela en Ruud Lubbers poseren voor het Catshuis in Den Haag, 17 februari 1994. Foto Vincent Mentzel

Mandela was net uit de gevangenis”, zegt Wim Kok, „en hij maakte een rondreis door West-Europa om mensen en organisaties die hem hadden gesteund te bedanken. Hij kwam ook in Düsseldorf, op het hoofdkantoor van de SPD. Daar heb ik hem voor het eerst ontmoet.” Dat was in 1990. Wim Kok, in die tijd leider van de PvdA, minister van Financiën en vice-premier in het derde kabinet-Lubbers, had de televisiebeelden van Mandela’s vrijlating nog scherp voor ogen. „Dat hij kwam aanlopen, met Winnie toen nog, dat was zo aangrijpend geweest. We hadden thuis op de bank zitten huilen van blijdschap.”

Die eerste ontmoeting werd gekleurd door die emotie. „Er maakte zich een bijzonder gevoel van vertedering van mij meester. Lastig om er waardevrij over te praten, omdat Mandela zijn hele historie met zich meebracht, en dan sta je plotseling tegenover hem. Je denkt dat zo’n man wel aanmatigend zal zijn en dat hij zich zal laten voorstaan op wat hij betekent. Maar wat je ziet is iemand met een onwaarschijnlijke aaibaarheidsgraad. Zo aardig en toegankelijk. Bijna nederig.”

Nelson Mandela zou Nederland niet aandoen op zijn Europese rondreis, wat Wim Kok heel jammer vond, want de anti-apartheidsbeweging was hier zeer actief geweest. In Düsseldorf vroeg Kok aan Mandela of er misschien toch een mogelijkheid was dat hij ook naar Nederland zou komen. „Toen Mandela zei dat die mogelijkheid er was, heb ik meteen Ruud Lubbers gebeld.” Kok was, als vicepremier, niet in de positie Mandela officieel uit te nodigen.

Om Mandela’s „aaibaarheid en aandoenlijkheid” te illustreren, vertelt Kok hoe Mandela na zijn bezoek aan het Binnenhof met hem naar een PvdA-bijeenkomst in de Meervaart in Amsterdam ging. „We waren op weg naar de zaal en wie schetst mijn verbazing toen hij me ineens een hand gaf. Ik weet ook wel dat zoiets in de Afrikaanse gemeenschap niet ongebruikelijk is, maar voor mij was het een nieuwe ervaring. Een man als hij die hand in hand met je loopt alsof je vader en kind bent.”

Ja, ja, zegt Kok, hij idealiseert Mandela nu wel een beetje. „Natuurlijk kon hij ook knorrig en onaangenaam zijn. Wie niet?” Maar dit zijn nu eenmaal zijn herinneringen. Mandela, merkte hij, was „erg op Nederland gesteld”. Hij had een „warme band” met koningin Beatrix en prins Claus, en later ook met kroonprins Willem-Alexander en prinses Máxima. Er waren ontmoetingen op Huis ten Bosch, waar hartstochtelijk werd gesproken over de „ontwikkelingen in Afrika”. „Prins Claus had daar een bijzondere inbreng.”

Mandela’s bescheidenheid, daar zou iedereen een voorbeeld aan kunnen nemen, zegt Kok. „Hij had vrij entree tot alle politieke leiders, alle deuren gingen voor hem open. Dat moet iets met een persoon doen. Zoiets heeft gevolgen voor je functioneren. Maar hij bleef een levende les in soberheid en bescheidenheid.” En zoals Mandela omging met verzoening, dat wordt ook maar zelden gezien. „Hij bleef benoemen wat er gebeurd was, maar zonder wrok.”

Maakt doorstaan leed iemand tot een betere leider?

Kok: „Het maakte Mandela tot een moreel leider. Hij had recht van spreken door wat hem was aangedaan en hoe hij zich staande had gehouden.” Maar Nelson Mandela kende het politieke spel ook, zegt Kok. Hij wist bijvoorbeeld heel goed dat hij na zijn aftreden als president van Zuid-Afrika eerlijker over aids kon praten dan voorheen.

Kok: „Ik was bij hem op bezoek en toen zei hij dat ik goed moest begrijpen dat hij, als hij nog president was geweest en herkozen had willen worden, niet zo frank en vrij over dit gevoelige onderwerp had kunnen praten als nu.” Mandela had hem hartelijk als altijd ontvangen, zonder opsmuk. Hij had last van zijn voeten – een gevolg van zijn gevangenschap.

Lange ontmoetingen heeft Kok nooit gehad met Mandela. „Een half uurtje, hooguit, als je samen van de ene plek naar de andere reed bijvoorbeeld.” Maar Mandela’s belangstelling, denkt Kok, was altijd oprecht. „Vragen over elkaars familie kunnen obligaat zijn. Bij hem niet. Hij vroeg waar ik vandaan kwam, wat mijn vader had gedaan. Dan zei ik dat mijn vader timmerman was geweest en dat ik na de lagere school met grote moeite had kunnen doorleren.” Kok vertelde hem ook over zijn kinderen, en dat één van hen gehandicapt is. „Dan hadden we het erover hoeveel je van mensen met beperkingen kunt leren.”

Het trof Kok dat Mandela niet erg geïnteresseerd leek te zijn in de vraag wie er in Nederland in de jaren zeventig en tachtig zijn trouwste bondgenoten waren. „Mensen die zich nooit met de anti-apartheidsbeweging hadden ingelaten, bleken na Mandela’s vrijlating opeens zijn grootste bewonderaars te zijn. Zelf stond ik daar wel eens wat gefrustreerd naar te luisteren.”

Beschouwde Kok Mandela als een vriend? „Hij heeft op video gesproken bij mijn afscheid van de politiek in 2002. Ik vond dat een uiting van vriendschap en aanhankelijkheid. Dat heb ik zeer gewaardeerd. Maar ik aarzel om het woord ‘vriend’ te gebruiken. Dat gaat te veel uit van het idee dat we op voet van gelijkheid stonden. Zo was het niet. Hij was hors catégorie.”