Je vrouw is naakt naar de tram gelopen

Meer dan driehonderd pagina’s met gebeurtenissen en kleine gestes in een moppige omgeving – de nieuwe bundel van Nachoem Wijnberg lijkt zelf een grap te zijn. Intussen is hij communicatiever dan ooit.

Zou het één grote grap zijn, de nieuwste bundel van Nachoem Wijnberg? Waarom zou een nogal onnavolgbare, moeilijke dichter die al twaalf bundels op zijn naam heeft staan anders ineens een vorm van slapstick proberen te schrijven? Helemaal zeker weet je het nooit, maar het lijkt Wijnberg ernst te zijn met zijn nieuwste bundel Nog een grap.

De gedichten beginnen met moppige personages als ‘Een gast in een hotel’, ‘Een kapitein of een kolonel’ of ‘een man en een vrouw’. Die zijn dan te vinden op straat of in een café, typische ontmoetingsplekken voor de humor. Maar wat er dan gebeurt is niet direct geestig te noemen: een man die pen en papier vraagt ‘tekende een landkaart/ die je nog hebt’. Of, in een ander gedicht: ‘Je vrouw is naakt naar de tram gelopen/ en ingestapt’. Hoewel de dichter in het VPRO-radioprogramma De Avonden vertelde dat hij zou willen dat zijn lezers steeds in lachen uitbarsten bij het lezen, is dat de vraag.

Daarvoor lijken de grappen in Nog een grap misschien toch te veel op gedichten. Ze zijn in de eerste plaats overrompelend in hun hoeveelheid: meer dan driehonderd pagina’s vulde Wijnberg met kleine gebeurtenissen of gestes, variërend van een recept voor stoofpeertjes tot een filmscène. Omdat de anekdotes ontdaan zijn van een pointe werken ze vaak vervreemdend, ook door hun wonderlijke, lange titels zoals ‘Ik mag dat, want vissen is mijn werk en jullie mogen vandaag met mij meedoen’. De manier waarop ‘je’ voortdurend wordt aangesproken draagt nog bij aan het gevoel van vervreemding dat de lezer bekruipt: ‘Kom helpen opruimen en meenemen wat je wilt, het is ook een beetje van jou, zoals: je bent ook een beetje jarig’. De lezer betrekt dat ge-jij immers al snel op zichzelf: ‘en God weet dat God je nooit/ drummer in zijn band zou maken’ of ‘Vertel je droom/ aan wie je gezegd had/ dat je hem alles/ kon vertellen,/ behalve dromen’.

Zo vertrekken de gedichten vaak vanuit het schijnbaar herkenbare, om dan te ontsporen en onverwacht en ongerijmd te eindigen. Toch is het er Wijnberg niet om te doen het de lezer moeilijk te maken. In tegendeel, hij is communicatiever dan ooit. Het taalgebruik is zo helder dat ook een achtjarige die de gedichten voorgelegd kreeg, er lol in had en de aantrekkingskracht voelde van de net-niet-begrijpelijkheid van een versje als ‘Aan tafel’: ‘Als je vraagt/ mag ik daar gaan zitten/ is dat weer/ een van die stoelen/ die leeg worden gelaten// Zoals wanneer je iedereen/ je goede nieuws verteld hebt.’

‘Vragen’, ‘vertellen’: deze gedichten zijn niet alleen communicatief, ze gaan ook over communicatie. Bij Wijnberg komen altijd al veel mensen voor die praten, vragen, luisteren, lachen, dingen bespreken. Daarin doet zijn werk denken aan het meesterlijke oeuvre van Hans Faverey (1933-1990), die naast zijn dichtersschap aan de universiteit werkte als psycholoog. Misschien is het niet toevallig dat Wijnberg ook onderzoeker is: hij is hoogleraar Economie aan de Universiteit van Amsterdam, met een voorkeur voor publicaties over strategie en marketing in de kunsten, van film tot rock ’n’ roll. Zowel Faverey als Wijnberg gebruiken hun poëzie feitelijk ook om vragen naar menselijk gedrag te beantwoorden, maar dan op dichterlijke wijze: het is onderzoek naar hoe mensen met elkaar omgaan, met elkaar praten. De omslachtigheid, absurditeit en hopeloosheid daarvan kan een knap ontroerende uitwerking hebben, zoals Wijnberg zich terdege beseft:

Vroeger schaamde je je

om te laten zien

dat je wilde ontroeren.

Nu kun je dat

waarmee je wilde ontroeren,

weglaten,

en die plaats leeg laten,

en half hopen dat niemand het ziet.

Ook een grap vertellen is een manier van contact maken, van een gesprek openen, en proberen een effect bij die ander teweeg te brengen. Misschien moeten we deze gedichtjes begrijpen als proefopstellingen: een man, een vrouw, een koe, een vis, en dan maar zien wat er gebeurt. Zo onderzoekt Wijnberg vooral de condities waarin een grap zou kunnen ontstaan: ‘het is geen grap/ maar de belofte van een grap’. Dat is eigenlijk nog een stuk leuker dan de grap zelf.