Het oogsten van onopgemerkt fruit

Zondag wordt op de Beurs voor Kleine Uitgevers een nieuwe prijs uitgereikt: een bekroning voor boeken die ten onrechte geen aandacht kregen. Of was het zwijgen terecht?

Gerrit Komrij zei ooit dat als je als Nederlandse schrijver nooit een prijs wint, je echt niets kunt. En inderdaad, wie er oog voor heeft, zal constateren dat er om de haverklap ergens in het land een literaire prijs wordt uitgereikt. Zinnen, debuten, debuten van vrouwen, de beste tweede dichtbundel: overal is inmiddels een prijs voor. Sinds een jaar is er, o ironie, zelfs een Gerrit Komrij-prijs.

En toch zien we nog steeds van allerlei moois over het hoofd, vindt schrijver en uitgever Guus Bauer. Op zijn initiatief wordt zondag op de Beurs van Kleine Uitgevers (8/12), in Paradiso in Amsterdam, voor het eerst de Grote Inktslaaf Literatuurprijs uitgereikt. Bauer zag als recensent voor onder meer website Tzum veel mooie Nederlandstalige boeken langskomen die de kritiek links liet liggen. Bauer initieerde de prijs uit onvrede: ‘De onvrede die een inktslaaf heeft’. De onvrede van een recensent die zijn enthousiasme niet gedeeld ziet door collega’s, dus.

Bauer zei ook dat het een prijs is die uitsluitend op inhoud is gebaseerd. De jury heeft het zich daarmee niet makkelijk gemaakt, omdat die in een boomgaard rondloopt waar zowel appels als peren groeien. Er zijn de literaire novelle van Owen Donkers (IJsbrood), de twee literaire romans van Victor Meijer (Snoepreis) en Peter Drehmanns (De man die brak), de op muziek en literatuur gebaseerde memoires van Bart Stouten (Kersen eten om middernacht) en een bundel met kort proza van Lammert Voos (De terugkeer van het haringorakel). Een allegaartje aan genres dus, maar Bauer heeft zeker gelijk door te stellen dat er kwaliteit tussen zit. Donkers’ IJsbrood bijvoorbeeld is een wat voorzichtige, maar innemende vertelling over een intelligente jongen wiens rust wordt verstoord wanneer zijn ouders in een scheiding belanden. In de wekelijkse waterval van nieuwe boeken zal het niet meteen opvallen, maar het is een zorgvuldig geschreven klein drama dat qua toon verwant is aan de, al wél door critici omarmde, boeken van Robbert Welagen.

De jongen denkt ‘logisch’, zoals zijn liefde voor dammen al laat zien, en kan de hysterische erupties van volwassenen moeilijk plaatsen. Er is de dreiging van vaderlijk geweld, en van een overijverige moeder die meereist naar een damwedstrijd. ‘Het leek wel of de moeder van Coen met een SRV-wagen naar Harderwijk was gekomen. Ze bleef maar proviand uitdelen. Krentenbollen, pakjes chocomel, fruittella’s.’

Snoepreis

In Victor Meijers Snoepreis valt een soortgelijke thematiek te ontwaren als in Donkers’ boek. De tienjarige Boris wordt door zijn moeder zonder overleg mee naar Spanje genomen, en de vader blijft in vertwijfeling achter. Heb nou maar geen medelijden met die man, zo vertelt de moeder op hun vlucht, want hij deugde niet. Kleine aanwijzingen maken daarna duidelijk dat het misschien wel eerder andersom in elkaar steekt: niet de vader heeft een schroef los, maar de moeder.

Het knappe van Snoepreis is dat het goed laat zien hoe snel de onthechting van een kind plaatsheeft. De onthechting ten opzichte van de vader uiteraard, maar ook ten opzichte van de pedagogisch verantwoorde mal waarin kinderen op scholen en aan eettafels gestopt worden. Zo zullen zijn ouders en docenten zich er de eerste tien jaar voor hebben ingespannen om Boris zo snel mogelijk te leren klokkijken, terwijl hij nu, onderweg, plotseling randfiguren tegenkomt die hem vertellen dat ‘de tijd verzonnen is’. ‘Seconden, minuten, uren, dagen, het is allemaal door mensen bedacht.’ Opvallend overigens, hoeveel schrijvers de laatste tijd snoep of zoetigheid inzetten om de zwakte van hun personages te illustreren – in Dorst van Esther Gerritsen, in Stern van Thomas Heerma van Voss, in Big Brother van Lionel Shriver en nu dus in Meijers Snoepreis.

Haringorakel

De eigenzinnigheid van De terugkeer van het haringorakel gaat verder dan de kaft waarin het gehuld is. De mij onbekende uitgeverij Liverse stak zijn nek uit door teksten van de voor mij al even onbekende Lammert Voos te bundelen. In Voos zit een rouwdouwer én een fijnproever, wat ervoor zorgt dat er dan weer eens iets over zijn liefde voor Isaak Babel te lezen valt, en dan weer over zijn nauwelijks te onderdrukken aandrang iemand een dreun te verkopen. Met gevaar voor eigen leven moet gezegd zijn dat Voos ook op papier geen tikken uitdeelt.

Nederlanders zullen Kersen eten om middernacht anders lezen dan Belgen. Dat komt doordat de auteur ervan, Bart Stouten, ‘de meest welluidende radiostem van Vlaanderen is’. Stouten (1956) blikt terug op zijn leven alsof hij de jeugd beschrijft van een personage met wie de lezer al vertrouwd is. Dat leven is een gesublimeerd leven, want op jonge leeftijd worden alle voorvallen al gezien in het licht van de kunst. De passage die dit het best illustreert is die waarin Stouten, een kind nog, zijn ouders en zusje verliest in een auto-ongeluk. Voor rouwen gunt hij zichzelf geen tijd, het interesseert hem veel meer wat Marcel Proust over zoiets zou schrijven. De wijze waarop Stouten de kunsten bezingt als een middel om je juist niet te schikken naar de afstompende realiteit heeft soms iets kokets, maar verveelt dankzij de vrijmoedigheid geen moment.

De opiniestukken van Peter Drehmanns werden het afgelopen jaar gretig door diverse media gepubliceerd. Afgelopen september schreef hij op de website van deze krant dat de literatuur geen luis in de pels meer was, maar ‘een getrimd schoothondje.’ Zijn roman vond onderdak bij de kleine uitgeverij Marmer, maar helaas voor Drehmanns waren de kranten- en tijdschriftredacties minder bereidwillig om De man die brak te bespreken dan dat ze bereid waren om zijn schotschriften af te drukken. Doodzonde, want het is een uitstekende roman: messcherp, agressief, op een vermakelijke manier verbitterd én de schrijver weet de privéproblematiek van de hoofdpersoon aannemelijk te verbinden met de cultuur waarin hij leeft. En daardoor is de roman al grotendeels geslaagd.

Drehmanns heeft genoeg aan een claustrofobisch taxi-interieur om de wereld van nu op te roepen. De chauffeur laat in kribbige innerlijke monologen zijn licht schijnen over een op de klippen gelopen relatie, terwijl zijn klanten het hem mogelijk maken om over de teloorgang van de cultuur te kankeren. Artsen, schrijvers, wonderdokters: iedereen doet hem aan Liz denken én aan de samenleving waarin hij overbodig werd. Een boek dus voor liefhebbers van de woedende loot aan de literaire boom (Hermans, Céline).

Het vermoeden dat er voor de Grote Inktslaaf Literatuurprijs alleen boeken genomineerd zijn die ondermaats of te obscuur voor recensenten waren, werd alleen door het boek van Voos bevestigd. De boeken van Meijer, Donkers en Stouten verdienen lezers, maar wanneer de jury zondag werkelijk een boek wil bekronen waarin de potentiële zeggingskracht van de literatuur het volst doorklinkt, dan moet Drehmanns die prijs voor ‘net niet gerecenseerde boeken’ krijgen.