Ficties zijn in dit bestaan onmisbaar

Denken wij mensen om de werkelijkheid te kennen? Hou toch op, schreef de Duitse filosoof Hans Vaihinger in zijn briljante De filosofie van het alsof. Oog in oog met een tijger interesseert de waarheid ons niets.

Een van de meest intrigerende titels uit de geschiedenis van de filosofie lijkt te behoren bij een van de minst gelezen boeken van wijsgerige faam. Aan de raadselachtige klank van De filosofie van het alsof, de titel waaronder Hans Vaihinger in 1911 zijn hoofdwerk publiceerde, kun je je maar moeilijk onttrekken. Toch is het boek al decennia lang in het Duits niet meer verkrijgbaar. Op internet valt het te downloaden in een druk van 1922. Dat is spijtig, want Vaihinger werpt aan de hand van tal van voorbeelden en op een originele manier een centrale filosofische vraag op: is het denken wel in de eerste plaats uit op overeenstemming met de werkelijkheid? Staan, met andere woorden, onze ideeën wel in een één-op-één relatie met de wereld?

Wie even nadenkt, ziet dat dat niet zo is. Zonder algemene begrippen en abstracties valt er helemaal niet te denken – maar in de wereld nemen we slechts afzonderlijke en concrete dingen waar. Toch blijven wij hardnekkig geloven dat onze gedachten (en de woorden waarin we die uitdrukken) een spiegel vormen van de realiteit.

Dat laatste, schrijft Vaihinger, is een van de belangrijkste oorzaken van drogredenen, dogmatisme en filosofische misleiding. Die waarschuwing is nog altijd het horen waard. Daarom is het verheugend dat De filosofie van het alsof voor het eerst in het Nederlands is uitgebracht. Sterk ingekort, want Vaihinger wilde zich nog wel eens verliezen in herhalingen en uitweidingen. Uiteindelijk beslaat zijn eigenlijke uiteenzetting maar zo’n 180 bladzijden. De rest van het boek bestaat uit latere toevoegingen en preciseringen, net zoals Arthur Schopenhauer – een van Vaihingers filosofische helden – dat in zijn magnum opus De wereld als wil en voorstelling had gedaan.

Ficties zijn onmisbaar op alle gebieden van het menselijk denken en handelen, aldus Vaihinger. De gerechtelijke veronderstelling dat ‘iedere Nederlander geacht wordt de wet te kennen’ zou in zijn boek even goed thuis horen als de juridische fictie van de absolute wilsvrijheid die hij wél naar voren haalt. Ze vormt de grondslag van het strafrecht, zoals de fictie van de egoïstische mens de grondslag van het economische denken vormt en de gefingeerde hoffelijkheid die van het beschaafde leven. Zelfs de wiskunde kan het niet stellen zonder irrationele getallen of het begrip oneindigheid, waarmee in de werkelijkheid niets correspondeert.

Al die zaken hoeven niet reëel te zijn om ons denken en doen toch efficiënt en effectief te maken, aldus Vaihinger. Het is dan ook een oud en hardnekkig misverstand dat het denken er allereerst op gericht zou zijn ‘waarheid’ te produceren, ongeveer op de wijze waarop de nieren urine voortbrengen, om een 19de-eeuwse materialistische denker de parafraseren. Niet dat Vaihinger zich daartegenover in ijl idealisme verliest. Integendeel, het denken heeft volgens hem in de eerste plaats een praktisch doel. Het dient het voortbestaan van het organisme dat ‘denkt’, zoals snelle benen een antilope en een schutkleur de kameleon helpen te overleven.

Al jong was Vaihinger onder de indruk van Darwins evolutietheorie, hoewel de gedachte dat de mens van het dier afstamt hem niet nieuw voorkwam. De 18de-eeuwse filosoof Herder had al hetzelfde beweerd. Maar het idee dat alles in een organisme gericht is op overleven in de strijd om het bestaan liet hem niet meer los.

Sabeltandtijger

Ook het denken heeft die functie. Het is niet gericht op een weerspiegeling van de werkelijkheid, maar op een doelmatige reactie daarop. Daarin kan het zich de grote vrijheden veroorloven. Het vereenvoudigt de wereld, abstraheert en laat het grootste deel van wat het waarneemt als ‘bijkomstig’ buiten beschouwing. Bij een onverwachte ontmoeting was het voor een oermens belangrijker te beseffen dat de sabeltandtijger een gevaarlijk dier was en hij zich uit de voeten moest maken dan te bedenken dat er ook oude, zieke en ongevaarlijke exemplaren van die soort zijn en dat ‘de’ sabeltandtijger zelfs niet bestaat.

Vaihinger verzet zich dan ook tegen de oude filosofische overtuiging dat ficties in het denken zoveel mogelijk moeten worden bestreden, opdat de mens van alle illusies wordt bevrijd. Pas aan het eind van de achttiende eeuw wist Immanuel Kant (gevolgd door Schopenhauer) de ‘illusie’ in zijn filosofie een positieve plaats te geven. Maar zelfs hij ontsnapte volgens Vaihinger niet altijd aan de verleiding te denken dat dergelijke ficties uiteindelijk met iets in de werkelijkheid moesten corresponderen.

Fictie is volgens Vaihinger de hoogst mogelijke prestatie van het denken. Daarmee moet het echter wel accepteren dat wát het denkt veelal niet precies met de realiteit samenvalt. ‘Het denken is met papiergeld te vergelijken,’ zo schrijft hij. ‘De afwijking van de werkelijkheid valt al naar gelang de omstandigheden gunstig of ongunstig uit. Wij moeten in elk geval de naïeve opvatting laten varen alsof het gedachte werkelijk is.’

Die laatste misvatting heeft de beschaving heel wat problemen bezorgd, zo merkt Vaihinger op. In plaats van ‘vrijheid’ op te vatten als regulatief principe waaronder de wet in concrete gevallen kan worden toegepast (de rechter doet ‘alsof’ de beklaagde een vrije wil had), is zij gaan menen dat die wilsvrijheid werkelijk moest bestaan, en daarom ook worden bewezen. En nu dat almaar niet wil lukken komt van de weeromstuit het hele rechtsysteem op de helling te staan en wordt psychologie.

Hypocrisie

Op dezelfde manier zijn godsdiensten de metaforen waarin hun stichters zich uitdrukten gaan opvatten als reële beschrijvingen, en moesten theologen zich in bochten wringen om uit te leggen hoe brood in een lichaam kan veranderen of hoe drie (in de drieëenheid) gelijk kan zijn aan één. Beleefdheidsfrasen waarin wij elkaar onwaarheden zeggen (‘Je ziet er goed uit’) konden pas als ‘hypocrisie’ worden ontmaskerd toen zij werden opgevat als mededelingen omtrent het werkelijke voorkomen van de ander. En zelfs in de natuurwetenschap beging men volgens Vaihinger de vergissing achter de idee atoom, die als fictie uitstekend geschikt was om orde te scheppen in onderzoeksresultaten, iets te zoeken dat werkelijk bestaat.

Bij dat laatste voorbeeld, waarop Vaihinger keer op keer terugkomt, vraagt je je af hoe hij daar honderd jaar later over gedacht zou hebben. Inmiddels is de wetenschap er vrijwel in geslaagd het atoom te zien. Vermoedelijk zou hij ruiterlijk hebben toegegeven dat de fictie zich hier, via het tussenstadium van de hypothese, uiteindelijk als werkelijkheid heeft onthuld. Een scepticus die twijfelt aan elke waarheid, of zelfs aan de werkelijkheid als geheel, wilde hij zeker niet zijn. Daarom noemde hij zich kritisch of idealistisch positivist. De werkelijkheid bestaat alleen uit afzonderlijke, observeerbare zaken en gevallen. Maar zonder fictionele ideeën kunnen wij denken noch (voort)leven.

De belangrijkste les van Vaihingers Filosofie van het alsof is dat die twee goed uit elkaar moeten worden gehouden. Alleen dan kunnen de extremen van scepticisme en dogmatisme worden vermeden, en behoeden we ons voor filosofische en wetenschappelijke luchtfietserij. Met dat programma van honderd jaar terug kan het denken nog altijd vooruit.

    • Ger Groot