Een politicus, een held van onze tijd

Heldendom is vaak mythevorming. Maar Nelson Mandela (1918-2013) is een ‘held van onze tijd’. Dat beeld zal postuum wel wat barstjes gaan vertonen. Maar het is amper overdreven vast te stellen dat Mandela een van de grootste staatslieden van de afgelopen halve eeuw was.

Mandela is de belichaming van de idee dat het democratische alternatief geen valse hoop is, maar een realistisch antwoord op maatschappelijke onderdrukking kan zijn. In normale omstandigheden is dat al een prestatie. Maar in een samenleving die decennia lang door een racistisch, repressief bewind is verscheurd, is dat een buitengewone verdienste.

Die unieke rol komt niet alleen voort uit zijn persoonlijkheid, mede gevormd door zijn aristocratische achtergrond waarop de apartheid geen vat kreeg. Ze heeft ook te maken met de manier waarop hij politiek bedreef. Als politicus – want dat was hij, ondanks zijn aureool – paarde Mandela een compromisloze houding jegens de apartheid aan strategisch inzicht en tactisch vernuft.

Beïnvloed door Gandhi wees hij geweld toch niet meer af, toen na het bloedbad in Sharpeville van 1960 de apartheid door premier Verwoerd werd gesystematiseerd. Ook tijdens zijn 27 jaar durende gevangenschap week hij niet. Maar hij was zich er terdege van bewust dat geweld geen doel mocht worden maar middel was. De meeste ‘bevrijdingsbewegingen’ konden dat onderscheid niet volhouden.

Intussen was hij niet eenkennig. Hij zocht en vond bondgenoten in alle raciale, religieuze en politieke kringen. Hoewel hij geen afstand nam van de communisten in het ANC, met wie hij zich persoonlijk verbonden voelde en die hij ook onontbeerlijk achtte, was hij communist noch ‘fellow traveller’. Mandela was vooral een burgerlijke revolutionair, zoals Europa die in de negentiende eeuw heeft gekend.

Al deze principiële, strategische en tactische kwaliteiten kwamen tot volle ontplooiing toen Mandela in 1990 onvoorwaardelijk moest worden vrijgelaten. Compromisloos maar behoedzaam onderhandelde hij zijn land naar een democratischer tijd. Door geweld van apartheidsapologeten die de onderhandelingen met president De Klerk wilden frustreren, liet hij zich niet van de wijs brengen.

De eerste vrije verkiezingen in 1994, die Mandela won, waren de beloning. Maar de eigenlijke verdienste was dat hij die overwinning niet gebruikte voor wraak maar voor verzoening. De waarheid moest boven water komen. Maar het verleden mocht niet worden gepolitiseerd voor machtsaanspraken in het heden.

Zelf gaf Mandela in 1999 het voorbeeld door al na één termijn terug te treden als eerste democratisch gekozen president. Hij liet toen een staat in opbouw achter. De werkelijkheid bleek weerbarstiger dan het ideaal. En zijn opvolgers waren vele maten kleiner dan hij. Maar Zuid-Afrika is in de kern wel een levensvatbare democratie. Dat is, gezien de postkoloniale ervaringen elders, een wonder. Dat wonder is in belangrijke mate het werk van Mandela.