De mijn was zegen en vloek

Via het verhaal van de kleine man, met name de familie van de schrijver, wordt er afgerekend met de stadselite. Kerk en kapitaal hielden de familie destijds klein, en doen dat nu in zekere zin weer.

Het is de dope- en sloopstad van Nederland. De stad ook van de collectieve verontwaardiging over Den Haag en ‘de politiek’. Wie in Heerlen uit gewone ouders geboren werd – en dat was bijna iedereen – had een abonnement op een moeizaam bestaan. In het begin, omstreeks 1900, was er niets, behalve wat landbouw rondom het stadje, vervolgens waren er de mijnen en was er de groei, en daarna was er weer niets, oftewel massale werkloosheid. Over zo’n stad is geen grootse geschiedenis te schrijven. Indien haar verleden zich al pakkend laat vertellen, dan moet dat via het verhaal van de kleine man. Dat is precies het perspectief dat journalist en voormalig Heerlenaar Joep Dohmen kiest. Hij beschrijft de opkomst en ondergang van de mijnstad en neemt drie generaties Dohmen mee.

Zijn boek is niet zozeer een familiegeschiedenis, maar veeleer een sociaal-historisch stadspanorama met extra aandacht voor de straten waar zijn voorzaten woonden. Hun geschiedenis loopt gelijk op met die van de mijnstad. Zijn verre voorouders beginnen in een armoedig plattelandshuisje en Joep zelf groeit op in een modaal rijtjeshuis. Vader Dohmen had het – kenmerkend voor de emancipatie van de familie – weten te brengen tot ‘adjunct-commies-A’ bij de gemeente.

De auteur is op z’n best als hij de stippen in zijn panorama inkleurt. Zijn vader blijkt een strakke man, ‘niet zo getapt’, zeggen zijn collega’s wanneer ze merken dat hij niet om hun kantoorgrapje ’30 jahre und ungeküsst’ kan lachen. Zijn moeder, aanvankelijk een gezagsgetrouwe katholiek, is losser. Zij aanvaardt dat ze vanaf haar huwelijk niet meer mag fietsen. Maar het ‘achterlijke tafereel’, zoals ze het noemt, van de kerkgang – de rituele verplichte zuivering na de bevalling – doet ze maar één keer.

Sterk zijn ook de passages, de panorama-uitvergrotingen, waar de auteur de stedelijke regenten de maat neemt. De oorlogsheld van Heerlen, de burgemeester die bleef zitten, Van Grunsven, blijkt achteraf helemaal niet zo dapper, en de gevierde wethouder uit de jaren tachtig, bijgenaamd de ayatollah, is een schoolvoorbeeld van welgemeend eigenbelang in de politiek.

Dohmens boek laat zich bij vlagen lezen als een ontroerende apologie van nabije en verre familieleden. Ze wisten het stapje voor stapje beter te krijgen in een stad die de mijn tot geschenk kreeg, als zegen en vloek. Zijn boek is ook een afrekening met de stadselite. Kerk en kapitaal hielden de familie klein, en doen dat nu in zekere zin weer. Het persoonlijke verhaal raakt zogezegd ondergesneeuwd door het verdriet van Heerlen. Wat overblijft is nieuwsgierigheid naar de familie en veel begrip voor al die stemmers op de PVV en SP die de stad rijk schijnt te zijn. Geen geringe verdienste.

    • Jos Palm