De hemel is een basketbalveld

Na jaren van miskenning is Nederland dit jaar definitief een sportboekenland geworden. Twee reusachtige bloemlezingen maken de balans op en een reeks boksboeken belicht de harde klappen die het leven soms uitdeelt.

Het was geen eerlijke wedstrijd dit jaar, de NS Publieksprijs. Amper was één van de zes genomineerde boeken op televisie aangeprezen of de servers van de Stichting CPNB sloegen op tilt. Gijp van Michel van Egmond won met meer stemmen dan de computers van de boekenwereld aankonden. We wisten het al uit de bestsellerlijsten: Nederland is een sportboekenland geworden.

Bij die vaststelling horen nuances. Allereerst dat een specifiek subgenre de cijfers omhoog jaagt: tweederangs-international-met-drank-drugs-en-vrouwendingen-bio (behalve Gijp de boeken over Andy van der Meyde en Fernando Ricksen), zoals die verschijnen bij Voetbal International.

De commerciële doorbraak volgt op een gestage volwassenwording van het Nederlandse sportverhaal, sinds de oprichting van voetbaltijdschrift Hard gras in 1994. Het ooit verguisde sportboek stroomt de winkels binnen: van obligate babbelteksten over een Tourwinnaar tot de sportieve cultuurgeschiedenissen van wielersocioloog Benjo Maso. En waar véél is, ontstaan bloemlezingen. Het kwalitatief betere deel van de Nederlandse sportschrijverij werd zes jaar geleden verzameld door journalist Arthur van den Boogaard in Sport. De 141 beste Nederlandse en Vlaamse sportverhalen van 1945 tot nu: duizend pagina’s dik, compleet met een grote inleiding waarin Van den Boogaard – die sinds 1999 wekelijks een sportboek recenseert voor Het Parool – de stukken plaatste binnen de evolutie van het genre.

Hoe monumentaal het boek ook was, een doorslaand succes werd de turf niet. Anno 2013 maakt de hoogconjunctuur van het genre dat steeds méér uitgevers zich roeren en zo liggen er ineens twee bloemlezingen. Naast een radicaal vernieuwde herdruk van Sport (de ondertitel rept nu van 142 verhalen) is er De Nederlandse sportliteratuur in 80 en enige verhalen van Frits Barend en Manon Colson.

Leuk – twee boeken! Wedstrijdje doen?

Misschien maar liever niet, want de strijd zou al te ongelijk zijn. Sport heeft alle trekken van een levenswerk. Het boek was al goed, maar het is in de tweede uitgave verdiept en versterkt. Niet alleen zijn de zetfouten eruit gehaald en de omissies in de samenstelling verholpen (August Willemsen en Benjo Maso staan er nu wel in), Van den Boogaard heeft ook verhalen van vóór 1945 opgenomen en veertig, vaak wat minder sterke, verhalen weggelaten.

De bloemlezing van Barend en Colson, redacteuren van het sporttijdschrift Helden, is een problematisch geval. Het boek is als een tentoonstelling waarbij de kunstwerken lukraak aan de muur gespijkerd lijken en waarbij de spots in de eerste zaal per abuis op de brandblusser zijn gericht. Zonder metaforen: dit is broddelwerk. Barend en Colson beginnen met een inleiding, waarin ze gewag maken van thema’s waarin de stukken zijn gegroepeerd, maar welke die thema’s precies zijn moet je achterin opzoeken. De keuze van de thema’s is betwistbaar; de onder de noemer ‘voetbalvrouwen’ gerangschikte stukken zien dat dat fenomeen niet het beste uit de sportschrijver naar boven haalt (behalve als ze over Maja Suurbier gaan).

Huh?

Na de korte inleiding begint plompverloren het boek, met het verhaal ‘Lijden in een oorlog zonder kogels’ van Marcel Rözer. De eerste alinea is merkwaardig boekhoudkundig-inleidend van toon, waarin bovendien plotsklaps de naam Marcel Rözer valt. Huh? Schrijft Rözer over zichzelf in de derde persoon? Uit nadere inspectie blijkt dat die eerste alinea eigenlijk een redactionele inleiding is die bij andere artikelen (maar niet bij allemaal) cursief gezet aan de tekst vooraf gaat. Maar hier niet, waardoor je geen idee hebt wat je zit te lezen – kennelijk hebben de samenstellers bij het nakijken van de proeven pagina 13 niet gehaald. Verderop (tussen de zetfouten) gebeuren er meer vreemde dingen met de inleidende teksten, die toch al niet al te best zijn.

Verwijten

Die slordigheid is jammer. Bijvoorbeeld voor Marcel Rözer, want zijn openingsstuk mag er wezen. Het is een portret van volleyballer Guido Görtzen, waarin duidelijk wordt hoeveel haat en nijd er heerste in het ‘gouden’ Nederlandse volleybalteam van de Olympische Spelen van Atlanta. De ‘lange mannen’ stonden in een slangenkuil, zo blijkt. Met mooie observaties als het antwoord op de vraag waarom volleyballers elkaar zo vaak aanraken. ‘„Omdat het altijd beter kan”, antwoordt hij dan. Het lijken bemoedigende klopjes, maar het zijn aansporingen, verwijten.’

En ook verderop staat er veel moois in de bundel, bijvoorbeeld in de sectie ‘Sport ’40-’45’ met een mooi stuk van Frits Barend zelf (en Henk van Dorp) over de baanwielrenner Cor Wals, die in de oorlog met een SS-embleem op zijn shirt reed: ‘Tijdens de race vloog de ketting van mijn fiets. Onder luid geklap stond ik beneden in de baan. Op zulke momenten ben ik niet meer kapot te krijgen. Toen wist ik zeker dat ik zou winnen.’ Na de bevrijding werd hij veroordeeld tot vijftien jaar gevangenisstraf (en in 1952 vervroegd vrijgelaten).

In dezelfde sectie staat een ontluisterend krantenstuk uit het weekblad Sport waarin een anonieme auteur op 24 juli 1944 blij constateerde: ‘Ook zijn wij erin geslaagd de politiek buiten onze sport te houden en zullen er in de toekomst ook nog angstvallig voor waken een vrije sportbeoefening te behouden.’ Interessant is ook ‘Moet onze sportwereld Duitschland boycotten’, een tekst waarin wordt gedelibereerd over hoe de sportwereld na 30 januari 1933 met Hitler-Duitsland moet omgaan. Auteur: Nico Scheepmaker (1930-1990). Scheepmaker is de grootste der Nederlandse sportschrijvers en had stellig a touch of genius, maar zou hij op zijn tweeëneenhalfde over Hitler hebben gepubliceerd? Het stuk komt uit Het krankzinnige kwartiertje, een bloemlezing die Scheepmaker in 1978 niet schreef, maar samenstelde. Dat laatste lees je niet bij Barend en Colson – en al helemaal niet waar het stuk oorspronkelijk vandaan komt.

Genoeg gemokt, want er staat veel moois in het boek. Neem Marjolein Hurkmans’ portret van anorexiapatiënte Leontien van Moorsel (‘Sperziebonen met zoetstof’), Bettine Vriesekoops angstaanjagende verblijf in China als jonge pingpongster (ook in Sport opgenomen) en een prachtig geschreven reportage van Mensje van Keulen over Rudi Koopmans’ gevecht om de Europese bokstitel, waarin fascinatie en boksweerzin van de auteur een geweldig resultaat opleveren.

Het is het soort parels waar de bloemlezing van Van den Boogaard vol mee staat. Zijn boek heeft bovendien aan evenwicht gewonnen door de mooie historische stukken die hij heeft opgespoord, beginnend met een cricketverslag uit 1893. Maar ook ervaringen van een Elfstedentochtrijder uit 1909 en een artikel van Couperus over de grote bokser Carpentier.

Uit de overvloed van prachtstukken (Joris van den Bergh, Ben de Graaf, Jan Mulder in zijn topjaren, Auke Kok, Simon Kuper, Hugo Borst, Johan Faber – alle grote namen staan erin) rijst langzaam het beeld op van het ideale sportstuk. Van den Boogaard gebruikte er al eerder de term ‘De Blik’ voor. Die uitdrukking past ook op het schitterende overzichtswerk van sportcartoonist Dik Bruynesteyn, dat zich heel goed leent voor simultaanbladeren met de sportverhalen.

Wat de beste verhalen typeert, is vooral een andere blik. Op de sport zijn duizenden camera’s gericht en de commentaren van de specialisten zijn altijd gericht op voorspellingen, op de dingen ‘altijd al weten’. In de bethalen heerst juist de nieuwsgierigheid naar verborgen verhalen. Het kan het leven van een vergeten sporter zijn (de legendarische baanwielrenner Moeskops), soms een losse opmerking van Marco van Basten (‘een schaar maken, dat deed toen iedereen’), dan weer een schitterende tekening van niet-topsporters als ‘De hemel is een basketbalveld’ van Johan Brouwer.

Pootje

Sporten waarin veel in het verborgene gebeurt leveren dan de mooiste stukken op: wielrennen en boksen. Van de buitenkant bezien zijn die sporten doodsimpel (elkaar bewusteloos meppen cq een wedstrijdje fietsen om het hardst), maar juist daar zit er veel verhaal ‘achter’ – van de dopinggeschiedenis van Thomas Dekker en het leven van ex-bokser Rudi Lubbers als zwerver (beide in de flodderbundel).

Veel minder makkelijk is het om aan de alomtegenwoordige voetbalruis iets zinnigs toe te voegen. Dan hebben de mooiste stukken amper nog iets met sport te maken, zoals het jongste verhaal in de bundel: ‘Alles gaat goed. Alleen mijn poot, hè?’ van Michel van Egmond.

Oud-bondscoach Bert van Marwijk bezoekt in het ziekenhuis oud-voetballer Dick Nanninga, die lang in coma heeft gelegen en bij wie een been is geamputeerd. Er staan hartverscheurende zwijgdialogen in: ‘Van Marwijk: „Godverdomme jongen.” Nanninga: „Hoe is het?” „Nee, hoe is het met jóú?” „Tja. Met mij is alles goed verder. Alleen mijn poot, hè?” „Ik ben me kapot geschrokken, man.” „Het pootje is eraf, hè.”

Het pootje is eraf – mooier wordt het niet meer.