Dat kan beter, minister Asscher

Spandoeken zijn uit de tijd, de sociale strijd wordt gevoerd op de sociale media. Niks arbeid versus kapitaal, zoals in de 20ste eeuw, maar ‘hervormers’ versus ‘behoudenden’. De inzet? Arbeidsmarkt en werk. De laatste aanleiding? De wijzigingen van regels, rechten en plichten van en voor werkgevers en werknemers in het wetsvoorstel Werk en zekerheid dat minister Lodewijk Asscher (Sociale Zaken, PvdA) vorige week naar het parlement stuurde. In een notendop zegt zijn voorstel: meer zekerheid voor werknemers met tijdelijke contracten, soepeler én goedkoper ontslag voor werknemers met een vaste baan en bij werkloosheid: korter WW en eerder elk nieuw werk accepteren.

De arbeidsmarkt is een polariserend onderwerp. Met hervormingen tussen aanhalingstekens. De verbetering voor de een is ook de achteruitgang voor de ander.

Links in de opvattingenstrijd staan, en ik chargeer wat, de liberale (economische) heethoofden, rechts de kwijnende vakbondsaanhangers. De ideaaltypische ondernemer van de eerste groep is, nog eens wat gechargeerd, de zzp’er, de zelfstandige zonder personeel. De tweede groep is dol op paternalistisch ondernemers à la Wim van der Leegte van industrieconglomeraat VDL die autofabrikant Nedcar overnam en het personeel twee jaar betaalt voordat de fabriek weer gaat draaien. De eerste groep ziet de ondernemer als de winstbron en de werknemers als kostenpost; de tweede groep ziet het net andersom.

Minister Asscher kent zijn pappenheimers. Zijn eigen tweet bij de publicatie van zijn wetsvoorstel verraadde politieke brille én ironie: „Kleine stap voor macro-economen, grote verbetering voor gewone mensen.”

Mijn bijdrage aan de polarisatie komt later nog wel. Vandaag eerst een aspect van het wetsontwerp dat onderbelicht is, ook al wijst de Raad van State in zijn advies aan het kabinet wel op deze gemiste kans. De lengte en de inhoud van het commentaar van de Raad van State (39 pagina’s) zijn, linksom of rechtsom, verfrissend in relatie tot het wetsontwerp zelf (170 pagina’s). De Raad van State wordt natuurlijk betaald om kritisch te zijn, zeker, maar dat is hier goed gelukt.

Een van de vernieuwingen van Asscher is de zogeheten transitievergoeding (maximaal 75.000 euro of een jaarsalaris, als dat hoger is) die de ontslagvergoeding cq ongelimiteerde gouden handdruk vervangt. De transitievergoeding moet een werknemer helpen om zo snel mogelijk nieuwe of aanvullende kwaliteiten te ontwikkelen voor een en nieuwe baan. Want het hele idee achter dit wetsontwerp is: van baanzekerheid naar werkzekerheid. Maar vervolgens gaat het mis. De Raad van State: „Wanneer pas aan ‘transitie’ wordt gewerkt als ontslag dreigt, is dat in veel gevallen te laat, in ieder geval voor werknemers in vaste dienst.”

Asscher maakt zich daar in zijn reactie op het commentaar van de Raad vanaf met de dooddoener dat het „bredere kabinetsbeleid” erop is gericht dat werkgevers én werknemers altijd moeten investeren in duurzame inzetbaarheid.

Dat kan beter. De minister moet het excellente recente advies van denktank WRR, de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, toepassen. Ervaringsfeit uit het WRR-advies: elk jaar laat zo’n 20 tot 30 procent van de werkgevers geen enkel personeelslid scholing volgen. Vandaar de hartekreet van WRR: de onderinvestering in menselijk kapitaal is ons grootste probleem.

De transitievergoeding in het kabinetsvoorstel is een foute financiële prikkel. Stel werknemers geen bom duiten in het vooruitzicht als het laat is. Geef hen liever het kapitaal meteen, als ze in dienst komen.

Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze column over economische ontwikkelingen.

    • Menno Tamminga