Benali’s Badr Hari is een dartelende ballerina

Vorige maand had Abdelkader Benali een tafelplekje bij Pauw & Witteman. Hij mocht aanschuiven als ‘iemand die iets met Badr Hari doet’ en zijn licht laten schijnen over de kickbokser.

Dat ‘iets’ is niet flauw bedoeld. Benali heeft zich voor zijn roman Bad Boy weliswaar laten inspireren door de van mishandeling beschuldigde kickbokser, maar hij is, in elk geval in feitelijke zin, geen Badr-autoriteit en wekt ook niet de indruk dat hij die heeft willen worden.

Meer dan een boek óver Badr Hari is Bad boy een boek ván Abdelkader Benali. Natuurlijk zijn er overeenkomsten tussen het leven van Hari en dat van Amir Salim, het hoofdpersonage. De grote plotlijn (Amsterdamse Marokkaan groeit uit tot topkickbokser maar valt in ongenade na de mishandeling van een zakenman op een housefeest) vertoont zelfs grote gelijkenissen met Hari’s eigen plotlijn. En ook in kleinere elementen is de verdubbeling te vinden. Vrijen doet Salim met Chanel, een mondaine vrouw ‘die wel wat van Estelle Cruijff wegheeft’.

Een groot deel van het boek speelt zich af in Marokko (en je zou kunnen zeggen dat Benali’s verbeelding het vanaf daar overneemt), waar Salim naartoe vlucht na zijn vechtpartij. Marokko is niet alleen een vluchtplek, Salim moet er ook een groep verdwaalde westerse toeristen terug naar de bewoonde wereld leiden. Deze wat geforceerde greep past Benali niet alleen toe om Salim in aanraking te laten komen met diens ‘wortels’. Salim heeft zich altijd al een buitenstaander in zijn eigen Nederland gevoeld. Van onverbloemde discriminatie is geen sprake, maar zijn nieuwe rol als reisleider zorgt er wel degelijk voor dat de Hollander nu eens naar hem moet luisteren, en niet andersom. De ironie wil uiteraard dat ook Salim de weg niet kent in Marokko... omdat hij een Nederlander is. Of in elk geval: ‘Het Marokko dat werd ingevuld door backpackers, sandalendragers en bergwandelaars kende hij niet.’

Het is één van middelen die Benali gebruikt om Salim te beschrijven als iemand in wie een bepaalde vorm van sociale schizofrenie besloten ligt. Een dramatisch gegeven dat al in de eerste zin van het boek valt te bespeuren: ‘Amir Salim werd drie keer geboren.’ Te weten als kind van, als vechter, en als reisleider. Salims fatal flaw is zijn trots. Het zorgt ervoor dat hij hard traint en de beste in zijn sport wordt, maar het staat z’n gedrag buiten de ring in de weg.

Helaas is dit op zichzelf interessante gegeven in een bar slecht geschreven boek terecht gekomen. Je hoeft een schrijver niet iedere uitglijder voor de voeten te werpen, maar in het geval van Bad boy is het, vooral in de tweede helft, moeilijk pagina’s te ontdekken die vloeiend lezen. Zo zijn er de bakens die ‘gekeerd’ moeten worden, is er iemand die ‘meegevoel heeft voor Amir’ en ‘hangen er vrouwen’ aan Amirs ‘lip’ (au).

Daarnaast zijn er volop zinnen te vinden waarvan je denkt: tja, heel misschien wordt er iets mee uitgedrukt dat mogelijk is, maar raak of fraai is anders. Amir op een moment van zelfdiagnose: ‘Ik ben een ballerina, je weet wel, zo’n meisje dat in zo’n wespenpakje op en neer dartelt, die met de kracht van een tientonner uithaalt.’ Personages kunnen domme dingen zeggen om ze zo een bepaald profiel te geven, maar in Bad boy bezondigt iedereen zich er aan, de verteller incluis.