Als iedereen mij maar aardig vindt

Ik heb een probleem. Ik wil aardig gevonden worden. In het dagelijks leven kan ik er nog redelijk mee omgaan, maar op het voetbalveld – een vereenvoudigde versie van het dagelijks leven – heb ik er telkens weer last van.

Tijdens de wedstrijd van vandaag gaat het er vriendschappelijk aan toe. De jonge honden van Team 1 zijn beduidend beter dan de oude rotten van Team 2 en als het binnen een kwartier al 2-0 staat, lijken de aanstaande verliezers het krachtsverschil reeds volkomen te hebben geaccepteerd.

Na een uur voetballen – het staat inmiddels 4-0 – wipt de handige spits van Team 1 de bal over zijn directe tegenstander heen. De gedrongen verdediger laat het nu eens niet over zijn kant gaan, en om de dreigende aanval in de kiem te smoren steekt hij beide armen hoog de lucht in. Voetbal is geen volleybal: ik fluit voor opzettelijk hands.

„Ah nee joh”, zegt de spits, als hij mij voor de eerste maal deze wedstrijd naar mijn borstzak ziet grijpen. „Dat is niet nodig hoor, scheids. Het is toch een leuk potje?”

Iedereen op en rond het veld lijkt het met die sympathieke opmerking eens te zijn, maar leuk potje of niet, ik blijf bij mijn gele kaart. Een stemmetje in m’n hoofd geeft de sportieve spits gelijk, maar mijn hand is al bij de kaart en dus kan ik voor mijn gevoel niet meer terug. En trouwens, het ís toch ook gewoon geel? Ik moet niet zo aardig gevonden willen worden!

Een dikke twintig minuten later is het geen leuk potje meer. Op onverklaarbare wijze is Team 2 teruggekomen tot 4-3 en met nog een paar minuten op de klok ruikt men daar nu bloed. Met hernieuwde krachten jagen de mannen op de jongetjes, die desondanks hun bijna continue balbezit proberen voort te zetten.

„En nu vol erop!” schreeuwt de aanvoerder van Team 2. Hij klinkt als een generaal uit het Romeinse leger en zijn trouwe manschappen stuiven naar voren. Maar de knullen van Team 1 zijn nog steeds beter. Ze tikken de bal naar elkaar over om zo hun voorsprong vast te houden.

Bam! De enige speler die al geel ontving, probeert op uiterst onhandige wijze de bal te veroveren. De spits die mij eerder nog duidelijk probeerde te maken dat kaarten niet bij deze wedstrijd pasten, ligt nu kermend op de grond.

Het wordt een opstootje. De jongens zijn boos, vragen in woord en gebaar om een tweede gele en dus rode kaart, terwijl de mannen juist dat vragen om die kaart heel erg onsportief vinden. Ik sus de boel, roep de stevige dader bij me en vertel hem hoe oliedom het is dat hij – juist hij – zo’n overtreding maakt.

Niemand vraagt mij nu of ik de kaart op zak wil houden. Toch doe ik het. Ik heb echt een probleem.

    • Menno Fernandes