Lijden moet geen wedstrijd worden

Schrijver Arnon Grunberg gaat terug naar de psychiatrische inrichting waar hij van de zomer twee weken verbleef. Een evaluatie.

‘De idee om iemand als Arnon Grunberg, toch bekend omwille van zijn soms ridiculiserende en scherpe pen, veertien dagen ‘op te nemen’ op onze afdeling werd niet echt op luid applaus onthaald.” Zo begon de psycholoog zijn korte toespraak. Van de zomer was ik twee weken ‘opgenomen’ in een psychiatrisch ziekenhuis in België waarover ik in deze krant heb gerapporteerd. Ik leefde tussen de patiënten op een afdeling waar zich voornamelijk maar niet uitsluitend mensen bevonden die aan het genezen waren van een psychose; ikzelf werd zoveel mogelijk als patiënt behandeld, hoewel ik geen medicijnen hoefde te slikken.

Onderdeel van de afspraak met het ziekenhuis was dat ik een objectief rapport zou vervaardigen en presenteren over hoe ik de zorg had ervaren. Midden oktober was het zover. In een zaaltje zaten de meeste patiënten van ‘mijn’ afdeling, de therapeuten, enkele verpleegkundigen, psychiaters, psychologen, alsmede werknemers van andere afdelingen van het psychiatrisch ziekenhuis.

Het is interessant om de psycholoog van de afdeling nogmaals aan het woord te laten, want niet alleen ik zou mijn verblijf evalueren, ook mijn artikelen en ikzelf werden geëvalueerd: „Over de artikelenreeks was de onvrede wat groter”, zei hij. „De klemtoon lag wel erg op het aparte, het spectaculaire (de konijnenstory bijvoorbeeld); patiënten vonden dat ze op die manier wel als erg afwijkend neergezet werden.

„Maar de zin die bij het team en de patiënten echt insloeg als een bom was de opmerking van Arnon ‘dat hij geen lijden had gezien’ (hoewel hij zegt dat het er ergens moet zijn.) Dat staat in het artikel, maar Arnon zei het ook, in het afsluitende groepsgesprek net voor hij ons verliet.”

„Mensen zeggen: ‘Dat kan toch niet… Ik heb hem zoveel verteld….’ Mensen zeggen: ‘De man is blind’ – heeft geen empathie – kan niet meelijden.

„Was hij te bang om de angst van de ander te zien? Was het daarom dat hij feedbackgesprekken leek te ontlopen of uitstelde?

„We zijn gelukkig nooit zijn therapeuten geweest. Waardoor we rond al die vragen geen hypotheses moeten formuleren, waardoor we geen angstreducerende behandelplannen moeten maken voor een patiënt die de eigen angst niet herkent. Dat doen we tenslotte elke dag. Voor onze patiënten.”

Zelfreflectie

Deze woorden van de psycholoog dwongen tot zelfreflectie. Ik kan kort zijn over de nadruk die ik in mijn verslag op het spectaculaire heb gelegd. Ik ben geen schrijver die de verveling in duizend pagina’s of meer wil zien te vangen. Mijn vermoeden is nu juist dat het leven spectaculair is en dat juist dat spectaculaire in woorden moet worden gevangen.

Wezenlijker zijn de opmerkingen – misschien kunnen we ook spreken van aantijgingen – dat ik geen empathie heb en blind ben voor andermans lijden. Vooral als je weet dat het ontbreken van empathie een eigenschap is die doorgaans wordt toegeschreven aan de psychopaat. Nu wil ik niet uitsluiten dat ik stiekem een psychopaat ben die door een combinatie van behendigheid en geluk aan de tbs-kliniek is ontsnapt – aan dat geluk kan uiteraard elk moment een einde komen – maar als ik eerlijk ben geloof ik dat ik wel degelijk over empathische vermogens beschik. Ik beschouw lijden alleen niet als een deugd.

We hoeven er ook niet veel woorden aan vuil te maken: wie leeft die lijdt. Zeker, de een meer dan de ander. Het al te grote lijden van de ander maakt ons machteloos omdat wij er geen antwoord op hebben. Het lijden op de afdeling waar ik van de zomer mocht verblijven leek echter niet groter of intenser dan het lijden dat ik om mij heen heb gezien en nog steeds zie. Ook wist ik niet eens zeker of de patiënten echt meer leden dan sommige behandelende artsen en leden van het verpleegkundig personeel. Iets wat ik ook tijdens de discussie na afloop van het voorlezen van de evaluatie van de psycholoog heb gezegd. Maar lijden moet natuurlijk geen wedstrijdje worden.

Wat het onttrekken aan de ‘feedbackgesprekken’ betreft, daar kan ik me niets van herinneren. Ik geef toe dat ik bang ben voor confrontatie dus misschien ben ik onbewust het oordeel dat het team over mij wilde uitspreken uit de weg gegaan.

Het was in elk geval niet te laat voor mij, een ‘angstreducerend behandelplan’ behoorde tot de mogelijkheden, en na de openbare bijeenkomst zei ik dan ook tegen de aanwezige psychiaters, psychologen en verpleegkundigen: „Jullie zijn niet van me af, ik kom terug voor mijn angstreducerend behandelplan.”

Huilen

Later die middag nam ik afscheid van de patiënten. Een van hen merkte op dat ik het me niet moest aantrekken, en dat hij wist dat ik net zo leed als zij. Een opmerking die me die avond op mijn hotelkamer in huilen deed uitbarsten. De kans bestond dus dat ik er net zo erg aan toe was als zij. Ik had het gewoonweg niet tot me willen laten doordringen. Wat misschien niet verwonderlijk is.

Een week later kreeg ik een brief van een psychiater die bij de bijeenkomst aanwezig was en dankzij wiens bemiddeling ik überhaupt in dat psychiatrische ziekenhuis terecht was gekomen. Hij was achteraf ongelukkig over de bijeenkomst. Hij schreef dat hij meende dat de opmerking dat ik gespeend zou zijn van empathie nodeloos hard en misplaatst was. En dat, voegde hij eraan toe, afkomstig van mensen die zouden moeten uitblinken in empathie.

De psychiater voegde er een citaat aan toe van een brief van Freud aan Arthur Schnitzler: „Ik denk dat ik u gemeden heb uit een soort dubbelgangersschuwheid... Uw determinisme zo goed als uw scepsis – wat de mensen pessimisme noemen –, uw gegrepen zijn door de waarheden van het onbewuste, door het driftleven van de mensen, uw ondermijning van de cultureel-conventionele zekerheden, het persisteren van uw gedachten bij de polariteit van liefhebben en sterven, dat alles trof me met een beangstigende vertrouwdheid.

„Zo heb ik de indruk gekregen, dat u door intuïtie – maar eigenlijk als gevolg van precieze zelfwaarneming – alles weet, wat ik door moeizame arbeid bij andere mensen heb blootgelegd.”

Misschien bedoelde de psychiater hiermee dat ik in een volgend leven zelf psychiater kon worden. Zijn e-mail was hoe dan ook, en dat verbaasde me een beetje, een troost. Het angstreducerend behandelplan zie ik nu dan ook met vertrouwen tegemoet, hoewel het naarmate ik ouder word steeds moeilijker valt te ontkennen dat de hele literatuur feitelijk één groot angstreducerend behandelplan is.

    • Arnon Grunberg