Honey, ik kromp de geldhoeveelheid!

Goed voor de koopkracht, dat is de eerste stereotype reflex die loskomt als het inflatiecijfer daalt. Vanmorgen bleek dat de consumentenprijzen in Nederland in de maand november met 1,5 procent gestegen zijn, tegen een toename met 1,6 procent in oktober. Die daling was te verwachten, omdat de btw-verhoging van vorig jaar een jaar later niet meteen uit de cijfers loopt, maar nog een beetje nadruppelt.

Met 1,5 procent is de inflatie in Nederland overigens nog steeds aan de hoge kant in Europa. De Europese Commissie maakte gisteren bekend dat de (geharmoniseerde) inflatie in de eurozone steeg van 0,7 procent in oktober naar 0,9 procent in november. Voor 2014 zijn de verwachtingen in de eurozone aan de lage kant. Maar in Nederland verwacht het Centraal Planbureau nog steeds een inflatie van gemiddeld 2 procent.

Zou het? Dat hangt af van een groot aantal factoren: de nogal wispelturige prijzen van levensmiddelen en brandstoffen, bijvoorbeeld. En ook van de wisselkoers van de euro. Maar stel nu dat inflatie, in de woorden van Milton Friedman, „altijd en overal een monetair verschijnsel” is?

De economen van ING wezen er vanmorgen op, vooruitlopend op de vergadering van de Europese Centrale Bank, dat de geldhoeveelheid in de eurozone nog maar groeit met 1,4 procent. Nu is die geldhoeveelheid, de zogenaamde M3, de afgelopen jaren volledig weggezakt uit de aandacht.

Toen de ECB in 1998 begon, nam zij van de Duitse Bundesbank de groei van de M3 over als een van haar belangrijkste analytische elementen. Er werd een ‘referentiewaarde’ ingesteld van 4,5 procent. Was de geldgroei hoger, dan dreigde inflatiedruk. Was hij lager dan zou de inflatie kunnen dalen onder de 2 procent die ECB als wenselijk zag. Nu viel niet te verwachten dat de M3 zich altijd keurig zou gedragen en wat zou variëren. Maar de geldgroei liep zó uit de hand (meer dan 12 procent eind 2007), dat hij als analytisch gereedschap uit de gratie viel. Op het laatst had de ECB het er nauwelijks meer over.

Achteraf bezien is dat misschien wel een grote fout geweest. De explosie van de M3 valt, als je terugkijkt, keurig samen met het uit de hand lopen van de kredietmarkt in Europa. Je zag de kredietcrisis al van verre aankomen – als de M3 serieus genomen was. Wat in de kredietcrisis volgde was een dramatische val van de geldgroei. Rond de jaarwisseling van 2009 op 2010 kromp de M3 zelfs even.

Dat maakt benieuwd naar het verloop van de groei van de M3 in Nederland – een cijfer dat diep uit de statistieken van De Nederlandsche Bank moet worden geplukt, en waar nauwelijks meer iemand naar kijkt. Wat blijkt: in Nederland krimpt de geldhoeveelheid al sinds juli 2012. En die krimp versnelt. Afgelopen oktober was de M3 in Nederland 3,7 procent lager dan een jaar geleden. Het is moeilijk om vergelijkende cijfers te vinden, maar de intuïtie zegt dat dit een hoogst uitzonderlijk fenomeen is voor een economie die niet in een totale depressie is.

Een krimp van de geldgroei met 3,7 procent dus in Nederland. Volgen wij Friedman, dan zou je denken dat de Nederlandse inflatie dientengevolge nog een heel stuk lager kan, en volgend jaar wellicht omslaat in deflatie. Maar we zijn een zeer open economie. Daarvoor gelden de mechanische wetmatigheden die zijn ontworpen voor een gesloten systeem veel minder.

Maar toch: die 2 procent inflatie die voor volgend jaar wordt voorspeld? Hoogst twijfelachtig, als je het verloop van de geldhoeveelheid een béétje serieus neemt. Tenzij het kabinet-Rutte er straks, in paniek over het alsnog niet halen van de Europese tekortnorm, nóg een paar lastenverhogingen doordrukt. Maar om daar nu naar te verlangen?

Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze column over economische ontwikkelingen.

    • Maarten Schinkel