Hamlet in opera uit Franse Romantiek: être ou ne pas être

Een imposante tribune van zwarte baksteen: daarmee opent de opera Hamlet (1868) van Ambroise Thomas in de Brusselse Munt. Hier vindt de verering plaats van de nieuwe Deense koning Claudius die zijn plots gestorven broer opvolgt. Maar snel wijkt het middendeel van het decor, en worden via een draaischijf duistere hoeken, nissen en kasteelgangen ontsloten. Denemarken blijkt verrot.

„Être ou ne pas être.” Flarden van de beroemde monologen uit Shakespeares Hamlet zijn in deze grand opéra van Thomas nog terug te vinden. Maar veel personages ontbreken, een waanzinscène van Ophelia – dankbaar operamateriaal! – werd juist toegevoegd.

Voor Shakespearepuristen zijn die ingrepen wellicht een gruwel. Maar Thomas componeerde een overtuigende partituur, zeer theatraal maar doortrokken van melancholie. Terecht dus dat dirigent Marc Minkowski en regisseur Olivier Py, na eerdere samenwerking in de Franse Romantiek, het nu opnemen voor dit werk.

Helaas wil Py te veel. Zijn politieke toevoegingen – rode vlaggen, gebalde vuisten – sluiten te weinig aan bij de handeling. De geest van Hamlets vermoorde vader, met glinsterend masker, verschijnt wel erg vaak op het toneel. En het manipuleren van het zaallicht leidt tot afleiding, eerder dan tot extra betrokkenheid.

Des te sterker zijn intieme scènes rond de titelfiguur. De onzekere Hamlet, naakt in bad met zijn moeder: het moedercomplex treffend gevisualiseerd. Hamlet is voortdurend aanwezig, als depressieve doler die de moord op zijn vader wil wreken.

De baritonale laagte maakt het personage nog introverter, zeker in de ideale uitvoering van Stéphane Degout. Met een zacht timbre verklankt hij existentiële twijfel, om in het drinklied met nihilistisch bombast uit te pakken.

Dirigent Minkowski volgt hem nauwkeurig, met precieus treurende celli en een eenzame trombone. Al mag met het Brussels orkest nog gewerkt worden aan zuiverheid en dosering van de dynamiek.

Ontroerend muzikaal hoogtepunt is de waanzinscène. Sopraan Lenneke Ruiten schakelt hier virtuoos tussen extase en liefdesrouw; het vredig zoemen van koor en zachte harp is – zoals alles in Hamlet – verraderlijk.