Fijn dat ik word bespioneerd

Exhibtionisme is normaal geworden, constateert Floor Rusman.

Als klein kind dagdroomde ik dat al mijn activiteiten live werden vertoond in een bioscoop. Tijdens mijn dagelijkse bezigheden had ik een continue voice-over in mijn hoofd die voor de mensen in de bioscoop dingen zei als: „Floor was benieuwd wat ze zou gaan eten”.

Toen ik jaren later aan een goede vriendin in een geluiddichte kamer en onder belofte van strikte geheimhouding deze genante jeugdherinnering opbiechtte, bleek ze die helemaal niet zo bijzonder te vinden. „Ja, de voice-over, die heb ik ook. Nog steeds, trouwens.”

Blijkbaar is het een menselijke behoefte om je het centrum van het universum te wanen.

Waarom vertel ik dit? Omdat ik denk dat er een verband bestaat tussen de wens om gezien te worden en het gebrek aan ophef over de recent aan het licht gekomen afluisterpraktijken.

Uit een peiling van Maurice de Hond in juni bleek dat driekwart van de Nederlanders geen problemen heeft met het aftappen. Daar zijn logische redenen voor. Zo is het de meeste mensen niet duidelijk wie worden afgetapt en wat er met die informatie gebeurt. Daarnaast merk je er in het dagelijks leven niets van, zodat je je woede telkens zelf moet voeden. En, belangrijker: ik denk dat veel mensen het wel een veilig idee vinden dat de NSA de boel een beetje in de gaten houdt.

Maar er is nog een andere reden voor de milde reacties. En dat is dat we de afgelopen decennia langzaam en ongemerkt anders zijn gaan denken over de grens tussen privaat en publiek. In de jaren zeventig rustte er nog een sterk taboe op het schenden van privacy. De volkstelling is toen zelfs onder grote druk van de bevolking afgeschaft. Maar nu, in 2013, is dat totaal anders. Openbaarheid is een onderdeel van ons leven, iets waaraan we hechten.

Terug naar de dagdroom die ik had als kind. Deze was exemplarisch voor het ontstaan van een nieuw menstype in de jaren negentig: de Schaamteloze Exhibitionist. In realityseries als Big Brother en Expeditie Robinson werden normale mensen ineens bijzonder.

In dezelfde periode ging men massaal internet gebruiken. Nu was je niet meer afhankelijk van tv-programma’s om beroemd te worden; je kon ook een blog beginnen of een liedje op YouTube zetten. En op Facebook kan iedereen zich het centrum van het universum wanen.

De afgelopen vijftien jaar is exhibitionisme normaal geworden. Politici laten hun privésituatie zien in campagnefilmpjes, in de media verschijnen zeer persoonlijke interviews, en iedere half bekende Nederlander die iets heeft meegemaakt voelt zich genoodzaakt daar een boek over te schrijven. Er is geen schaamte meer, alleen nog de wil om te zien en vooral gezien te worden.

In dit licht is het niet zo raar dat men niet boos is over de aftappraktijken. Als je alles van jezelf laat zien, waarom zou je dan moeilijk doen over je e-mails? Misschien is het zelfs een fijn idee dat er iemand constant met je meeleest. Iemand bekijkt je, dus je wordt erkend. In de woorden van Gerard Reve: ‘Het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven.’