Euthanasie past bij een nuchtere niet-hiërarchische cultuur

Euthanasie komt vaak voor in Noord-Holland. „In de kleine dorpen komen mensen niet snel bij een arts. Als ze bellen, weet je dat er écht iets ernstigs aan de hand is.”

De bollenboer is maandag opeens overleden. Een natuurlijke dood. Scen-arts (euthanasiedeskundige) Yvonne van Ingen en de huisarts spraken al een tijdje met hem over euthanasie. Zijn vrouw had net als hij uitgezaaide kanker. Hij wilde haar niet langer tot last zijn en tegelijkertijd wilde hij bij haar blijven om haar te steunen. Hij kon dus geen tijdstip bepalen, zegt Van Ingen: „Op die dag, dán wil ik euthanasie. Dat uitspreken, vinden veel mensen moeilijk.”

Toch werd Van Ingen door zijn dood overvallen. Ze is scen-arts in Noord-Holland. Zij wordt erbij geroepen voor een second opinion wanneer een arts een euthanasieverzoek wil inwilligen.

Wie alledaagse ervaringen met euthanasie en palliatieve sedatie wil optekenen, moet zeker naar Noord-Holland: daar krijgen veel meer patiënten euthanasie dan elders in Nederland. 1 op de 21 sterfgevallen bestond in Noord-Holland vorig jaar uit euthanasie, tegen 1 op de 35 á 39 sterfgevallen in andere provincies. [zie graphic]

In Noord-Holland ligt ook het dorp Tuitjenhorn. Huisarts Tromp beëindigde er eind augustus het leven van een terminale kankerpatiënt. De inspectie zette Tromp na een klacht van zijn co-assistent op non-actief, justitie verhoorde hem en vervolgens pleegde hij zelfmoord. Er ontstond ophef , maar nog steeds is onduidelijk wat er zich precies afspeelde. Ook de drie Noord-Hollandse artsen in dit artikel niet. Kritiek op hun oud-collega hebben ze in elk geval niet. Mogelijk, zeggen zij, was hij in paniek. Hij had de patiënt, die aan het stikken was, laten sterven met een grote dosis dormicum (slaapmiddel) en morfine (pijnstiller). Maar, zeggen ze, zo eenvoudig zijn die beslissingen ook niet altijd.

Huisarts Glenn Mitrasing: „Een patiënt die thuis ligt, van wie je denkt dat hij nog weken of maanden te leven heeft, kan opeens in hoog tempo verslechteren.” Van Ingen: „Sommige patiënten, en ook de familie, bellen pas als het water ze aan de lippen staat. Dan kun je als arts schrikken van de omstandigheden.”

Glenn Mitrasing werd zelf eens gebeld door een terminale longkankerpatiënt die alleen thuis lag. „Hij kon amper bellen. Ik ging er snel heen. Wat ik dáár aantrof: zijn hele kamer onder het bloed. Hij hoestte zo veel bloed op dat hij erin lag te stikken. Je ziet je patiënt dan in zo’n stress, zó aan het lijden. Dat is ook voor een arts schokkend. Ik heb die man dormicum gegeven, om hem te sederen. Hij was binnen een paar minuten dood. Dat was geen euthanasie.”

Waarom krijgen inwoners van Noord-Holland twee keer zo vaak euthanasie als andere Nederlanders? Het is niet onderzocht. In het grootstedelijke deel – Amsterdam, Haarlem en het Gooi – wonen relatief veel rijke, mondige patiënten. „Sommigen beschouwen euthanasie als een recht”, zegt huisarts Carla Aalders uit Heerhugowaard. „Zij zijn gewend om bij alles in het leven het heft in eigen hand te nemen. Ook bij hun levenseinde.”

Ook in het noordelijk deel van de provincie met veel plattelandsbewoners, krijgen mensen relatief vaak euthanasie. De twee scen-teams die het gebied van de Zaanstreek tot aan Den Helder bedienen, worden daarom vanaf 1 januari aangevuld met een nieuw team van tien extra scen-artsen. Op het platteland is men minder mondig, zeggen de artsen. Aalders: „In de kleine dorpen komen mensen niet snel bij een arts. Ze stellen dat uit. Als ze bellen, weet je dat er écht iets ernstigs aan de hand is.”

Waarschijnlijk speelt de nuchtere, niet-hiërarchische cultuur van Noord-Holland een rol, zegt Bregje Onwuteaka-Philipsen, hoogleraar levenseinde-onderzoek aan de VUmc. Meer dan het geloof. „Hoe meer arts en patiënt open en gelijkwaardig met elkaar kunnen praten over het levenseinde hoe meer euthanasie er voorkomt.”

Religie is geen reden om euthanasie te mijden, zegt huisarts Mitrasing. Ook veel kerkelijke patiënten vragen hem er om. Sommige kerken weigeren dan een uitvaartdienst. „Maar de meeste dominees en pastoors hier zijn mild, vind ik.” Toch wilde de katholieke Sint-Dionysiuskerk in Heerhugowaard niet met deze krant over euthanasie praten.

Sinds de invoering van de euthanasiewet, in 2002, weten steeds meer artsen wanneer euthanasie mag en hóe het kan, zegt Bregje Onwuteaka-Philipsen. Patiënten ook. Het aantal gemelde euthanasiegevallen stijgt landelijk al jaren: van 2.325 in 2005 tot 4.188 vorig jaar. Tachtig procent stierf thuis. Onwuteaka-Philipsen: „De meer hiërarchische, gesloten, traditionele cultuur in Limburg, Brabant en Zeeland zou er de oorzaak van kunnen zijn dat daar minder euthanasie wordt toegepast dan in Noord-Holland.”

De huisartsen in Noord-Holland beginnen steevast zelf met de patiënt over hun levenseinde, vertellen ze. Huisarts Aalders: „Ze hóeven er niet over te praten maar het mág wel.” Ze heeft in 28 jaar als huisarts maar drie keer euthanasie toepast. Gemiddeld twee keer per jaar geeft ze palliatieve sedatie bij een stervende patiënt. „Het grijpt me altijd aan.”

Mitrasing doet gemiddeld één a twee keer per jaar euthanasie en twee tot vier keer palliatieve sedatie. Van Ingen, die naast scen-arts dokter is in een hospice in Alkmaar waar mensen komen om te sterven, heeft er de handen aan vol. „We doen scen-gesprekken naast ons gewone werk. Als ik scen-dienst heb, voer ik dagelijks wel een euthanasiegesprek met een patiënt. Ik kan er eigenlijk maar één per dag aan.” Gek genoeg, is het ook fijn, zegt ze. „Ik wil heel graag dat mensen en hun nabestaanden een goed einde hebben.”

De regels voor euthanasie en palliatieve sedatie zijn goed, zeggen de artsen, maar voldoen niet altijd. Neem de oude man in een klein dorp die altijd op het land had gewerkt. Hij leed aan pancreaskanker en wilde dood. Hij kon het niet motiveren, wat verplicht is bij euthanasie. Van Ingen: „Hij kon het niet onder woorden brengen. Maar hij was knalgeel en je zag hoe slecht hij eraan toe was door hoe hij in bed lag. Het was vréselijk. Toen heb ik, als scen-arts, een positief advies gegeven op het verzoek van de huisarts, de familie én de man.”

    • Frederiek Weeda