Europeanen leven langer met kanker

Kankerpatiënten in Nederland lijken eerder te overlijden dan in de buurlanden.

Tussen Europese landen bestaan grote verschillen in de leeftijd waarop kankerpatiënten overlijden. Dat blijkt uit een grote studie waarin de kankerregistraties van 29 Europese landen in de periode 2000-2007 met elkaar zijn vergeleken. De resultaten verschenen gisteren in het vakblad The Lancet Oncology.

Uit het onderzoek blijkt dat kankerpatiënten in Europa steeds langer met hun ziekte leven, waarschijnlijk dankzij betere medicijnen en behandelingen en vroegere opsporing. De landen in Oost-Europa, waar de prognoses voor kankerpatiënten altijd slechter waren in vergelijking met West-Europa, lijken de achterstand in te halen. Het aantal vrouwen met borstkanker dat vijf jaar na de diagnose nog in leven is, steeg er tussen 1999 en 2007 bijvoorbeeld van 70 naar 75 procent. In West-Europa was de verbetering bescheidener: van 82 naar 85 procent.

Nederland ‘scoort’ alleen op maagkanker en nierkanker iets onder het Europese gemiddelde. Alle kankers bij elkaar genomen, lijken in Nederland vijf jaar na hun diagnose procentueel minder patiënten in leven te zijn dan in de omringende landen.

Daaruit kan echter niet zomaar geconcludeerd worden dat de kankerzorg in Nederland achterblijft. Landen verschillen bijvoorbeeld in de nauwkeurigheid waarmee kanker wordt geregistreerd. In Nederland dekken de cijfers het hele land, maar in Frankrijk zit minder dan een kwart van de bevolking in het bestand. Verschillen in diagnostiek tussen landen en ongelijke sociaal-economische omstandigheden beïnvloeden de uitkomsten ook sterk.

In een commentaar bij het artikel waarschuwt kankeronderzoeker Alastair Munro van de University of Dundee voor het interpreteren van de gegevens met een ‘lijstjesmentaliteit’. De nationale kankerregistraties zouden volgens hem veel meer informatie over de omstandigheden en behandeling van patiënten moeten bijhouden. Pas dan is een vergelijking mogelijk.

    • Sander Voormolen