‘Een museum moet meer doen dan behagen’

Musea beginnen op nutsbedrijven te lijken, constateert de directeur van het Frans Hals Museum bij zijn afscheid.

‘Moet je toch eens kijken hoe mooi!” Karel Schampers, directeur van het Frans Hals Museum, beent door het restauratieatelier van zijn museum naar een tafel waarop een flinterdun paneeltje ligt dat volstaat met naakte dansende figuren. „Dit is een werk van de Haarlemse schilder Maarten van Heemskerck”, vertelt hij glunderend. „Het is een voorstudie van zijn beroemde schilderij Triomftocht van Bacchus, uit het Kunsthistorisches Museum in Wenen, en het is in uitstekende staat. We hebben het vorige week op de veiling gekocht voor 15.000 euro. De geschatte waarde was 25.000, maar er was geen enkele belangstelling voor. Vergelijk dat eens met de 58 miljoen dollar die vorige maand voor een ballonhond van Jeff Koons is betaald. Terwijl dit schilderij bijna vijfhonderd jaar oud is. Dat staat toch niet in verhouding?”

Het schilderij van Van Heemskerck is de laatste aankoop die Schampers voor het museum heeft gedaan. Per 1 januari gaat de directeur met pensioen en wordt hij opgevolgd door Ann Demeester. Zaterdag opent in De Hallen, waar het Frans Hals Museum zijn hedendaagse kunst toont, de afscheidsexpositie Karels keuze. Schampers laat daar zien wat hij in de afgelopen dertien jaar zoal aangekocht heeft: foto’s en video’s van internationale sterren als Sarah Lucas, Tracey Emin, Nan Goldin en Andrea Fraser, maar ook van Nederlandse topkunstenaars als Guido van der Werve en Rineke Dijkstra. Een indrukwekkende lijst namen, voor een klein Haarlems museum.

Schampers: „Het eerste wat ik voor De Hallen heb gekocht, waren de films van Paul McCarthy. Die kostten haast niks, want wat moesten particulieren met die video’s vol smeerlapperij? Omdat mijn budget beperkt was, besloot ik werk van jonge kunstenaars te kopen. En fotografie en video, want dat was nog betaalbaar.” Wat zijn favoriete kunstenaars bindt, zegt Schampers, is dat ze allemaal iets te zeggen hebben over onze hedendaagse samenleving. „Het begon met de foto’s van daklozen die Dana Lixenberg in Amerika maakte en met Boris Mikhailovs portretten van dolende alcoholisten in Rusland. Maar ik houd ook van het cynisme van Renzo Martens, die Afrikanen leert om hun eigen armoede te exploiteren, en van de satire die Andrea Fraser van de kunstwereld maakt.”

Dat Schampers een goede neus had voor talent, bewees hij al toen hij conservator was in Museum Boijmans Van Beuningen. In de jaren tachtig en negentig maakte hij daar tentoonstellingen met Christopher Wool, Richard Prince, Isa Genzken en Cindy Sherman – kunstenaars die nu tot de absolute top horen. Omdat hij er zo vroeg bij was, kon Schampers hun werk destijds voor relatief lage bedragen aankopen. „Van Chris Wool heb ik voor Boijmans destijds zes schilderijen gekocht voor hooguit 10.000 dollar per stuk. Onlangs is een werk van hem geveild voor 26 miljoen dollar. Dat is beschamend en bijna pervers. Wat moet je dan nog als kunstenaar? In een galerie doen Wools werken zeven à acht ton. Daar komen dus speculanten op af, die zo’n werk een tijdje vasthouden en het daarna naar de veiling brengen om er miljoenen voor terug te krijgen. Terwijl je als kunstenaar natuurlijk liever bij een goede verzamelaar of een museale collectie terechtkomt.”

De gekte op de huidige kunstmarkt begint voor musea een steeds groter probleem te worden, ziet Schampers. „Je moet dus wel naar jongeren op zoek. Maar zodra die een beetje succes krijgen, worden ook zij snel onbetaalbaar. Dat is zo frustrerend. Je wilt als museum jonge kunstenaars volgen. Je wilt het vertrouwen in hen uitspreken door ook echt veel van hen aan te kopen en zo de ontwikkeling in hun werk te kunnen laten zien. Maar heel vaak blijft het bij het aankopen van jeugdwerk. Daarna houdt het op. Dat is zo zonde, want daardoor is zo’n collectie eigenlijk verminkt.”

Terugkijkend op zijn loopbaan zijn het de vriendschappen met kunstenaars die hem het meest dierbaar zijn. Van hen leerde hij écht naar kunst kijken. Schampers vertelt hoe schilder Frank Stella hem ooit wees op de vliegjes en de grassprietjes in de vacht van Paulus Potters stier. „Tot dan toe had ik het schilderij als een monumentaal beeld gezien. Dankzij Stella zag ik dat het eigenlijk een miniatuur was.” En toen hij met David Hockney door het Frans Hals Museum liep, deed Schampers een bijzondere ontdekking over het schilderij De losbandige keukenmeid (1665) van Pieter van Roestraten. „Het viel Hockney op dat alle figuren in de voorstelling – zelfs het aapje – linkshandig waren. Voor hem was dat een bewijs dat Van Roestraten met een lens moet hebben gewerkt, waardoor de voorstelling gespiegeld is.”

Schampers: „Ik heb zo veel respect voor kunstenaars. Ze moeten het helemaal in hun eentje doen. Ook als ze niet zo succesvol zijn en de respons achterwege blijft, gaan ze door. Toch maar weer iedere dag naar dat atelier. In de overtuiging dat wat ze doen ze ook echt moeten doen.”

Hij kan zich daarom enorm kwaad maken om het dedain waarmee in het huidige politieke klimaat over kunstenaars wordt gesproken. „Dat is rücksichtslos. Er wordt vanuit de overheid bijna geen vertrouwen meer in kunst uitgesproken. Minister Jet Bussemaker is in dat opzicht exemplarisch voor wat veel lokale overheden doen: de kunstwereld alleen nog maar afmeten aan het aantal bezoekers, het aantal tentoonstellingen en de waardering van het publiek. Tja, wat moet je dan nog met jonge kunst? Die heeft nog geen publiek of bewezen succes. Want het grote publiek wil alleen maar behouden wat al bekend is. Dat betekent dat ook sponsoren niet in de rij staan. Bussemaker zegt dan: dat is collateral damage. Dan word ik echt ziedend. Je moet juist investeren in talentontwikkeling. Dat is de voedingsbodem van de toekomst.”

Hoe moeilijk het is om het grote publiek voor hedendaagse kunst te interesseren, merkt hij ook in zijn eigen museum. De jubileumtentoonstelling over Frans Hals trok dit jaar 95.000 bezoekers. Maar naar de groepsexpositie Dread, met werk van zo’n 25 hedendaagse kunstenaars, kwamen ondanks alle goede publiciteit tot nu toe maar iets meer dan 7.000 mensen kijken. „Zo’n thematentoonstelling kost veel geld. De gastcurator moet betaald worden, er wordt een catalogus bij gemaakt, er zijn vormgevers nodig. Als je bedrijfsmatig gaat rekenen, kan zo’n expositie eigenlijk niet meer. Voor veel musea is de rekensom dan snel gemaakt. Maar ik vind dat het museum ook een andere taak heeft dan alleen het publiek te behagen. Je hebt ook een verantwoordelijkheid naar jonge kunstenaars toe, zij hebben een podium nodig waar ze kunnen groeien.”

Hij heeft er wel eens slapeloze nachten van, geeft Schampers toe. „Wat doet het Groninger Museum, het Centraal Museum of zelfs het Stedelijk nu nog aan jonge kunst? Je ziet dat podium wegvallen. De druk van de bezuinigingen maakt dat musea steeds bedrijfsmatiger worden. Het gaat alleen nog maar om cultureel ondernemerschap of sociale bereikbaarheid. Dus kiezen musea voor de dingen die al bewezen succesvol zijn. Wetenschappelijke tentoonstellingen zie je bijna niet meer. Langdurige presentaties van de eigen collectie, daar trek je ook geen publiek meer mee. Je moet voortdurend blockbusters maken, alsmaar voor opwinding zorgen. Musea, dat zie je wereldwijd, worden steeds meer onderdeel van de amusementsbranche. Het worden nutsbedrijven. Maar mijns inziens heeft een museum, en dus ook een overheid, de verantwoordelijkheid om onze cultuur te beschermen. Dat wordt nu aan de markt overgelaten, en dat vind ik heel gevaarlijk.”

Karels keuze – Terugblik op de hedendaagse kunst. 7 dec t/m 2 maart in De Hallen, Grote Markt 16, Haarlem. Inl: dehallen.nl

    • Sandra Smallenburg