Brown laat je opnieuw kijken naar oude meesters

Apocalypse now! In het Frans Hals Museum heeft Glenn Brown de zombies losgelaten. Aanvankelijk vallen ze niet eens op: de Halsen en Ruisdaelen uit de collectie hangen er nog even mooi bij als altijd. Alleen: naast Goltzius’ Hercules en Cacus (1613) hangt nu een fors doek van een diepblauwe nachtelijke lucht waar een enorme buitenaardse voet in zweeft. De voet is zo groot en zo zwaar vervormd dat het onduidelijk is of hier een ruimteschip wordt verbeeld of een ledemaat waar een enge ziekte overheen is getrokken – wat is dit in vredesnaam?

Of neem het zaaltje met Frans Hals’ Portret van Pieter Jacobsz Olycan (ca 1630): daar hangt nu een Brown-schilderij van een jongen die ook al door het kwaad bevangen lijkt. Zijn huid is groen-gemarmerd, zijn haar glanzend grijsblauw – doordat het schilderij The Great Masturbator heet, denk je meteen aan de mythe dat een overdaad aan onanie tot vreselijke lichamelijke misvormingen zou leiden.

Het beste Brown-doek in Haarlem is echter Star Dust, een schilderij van een jonge vrouw die poseert met twee jonge hondjes in haar armen – kenners weten dat Brown dit werk baseerde op een achttiende-eeuws schilderij van Fragonard, afkomstig uit de collectie van ‘master of kitsch’ Jeff Koons. Ook dit doek heeft Brown stevig onderhanden genomen: waar het meisje bij Fragonard nog het toppunt van zoetige lieflijkheid is, is haar huid nu gemarmerd groen, zijn de hondjes hardblauw en hebben haar ogen de kilgroene kleur van weke stenen – alsof er in haar een gulzige, kleurige, maar vooral kwaadaardige geest is gevaren die haar een limbo heeft binnen gevoerd waar ze noch mens, noch schilderij meer is. Net als haar ‘collega’s’ trouwens: tragische wezens zijn het, verdwaald in een tussenrijk. Zombies.

De combinatie van hedendaagse schilderijen met oude meesters uit de Frans Hals-collectie is een kleine traditie die onder het directeurschap van Karel Schampers is ingezet. Het idee op zich is bepaald niet nieuw (musea over de hele wereld doen het, gretig), maar in Haarlem werkt het, vooral omdat ze kunstenaars kiezen die zich op een interessante manier tot de oude meesters verhouden. John Currin, Maaike Schoorel, Francis Bacon (binnenkort volgt David Hockney) toonden je vaak aspecten uit de oude oeuvres die je gemakkelijk over het hoofd zag: hun gevoel voor detaillering bijvoorbeeld (Schoorel) of de manier waarop ze waren losgezongen uit de werkelijkheid (Currin). Daarom is ook Brown een uitstekende keuze – al ligt die ook wat voor de hand omdat hij altijd doeken van oude meesters als uitgangspunt neemt. Die vervormt hij eerst op de computer, om die ‘vervormingen’ vervolgens met een complexe vlekkentechniek minutieus na te schilderen. Het effect is zowel aanstekelijk als verwarrend. Browns schildershand is zo virtuoos dat je automatisch onder de indruk bent, tegelijk is zijn wereld zo buitenaards dat je er behoorlijk van in de war raakt. Natuurlijk is dat precies Browns bedoeling: door de oorspronkelijke schilderijen zo radicaal te vervormen is het onmogelijk terug te vallen op je ingesleten kijkgewoontes – alsof je wordt losgelaten op een planeet waar je je alles, elk element in elk schilderij opnieuw eigen moet maken.

Dat werkt in deze constellatie uitstekend – ineens stel je jezelf tijdens het kijken naar Hals of Goltzius de raarste, meest banale vragen. Waarom is geschilderde huid eigenlijk huidkleurig? Waarom schrik ik zo van een mens met een groen gezicht, terwijl ik aan groen geschilderde luchten al meer dan honderddertig jaar gewend ben? In hoeverre vertegenwoordigen schilderijen sowieso een objectieve waarheid? Browns doeken zijn vreemd en behoorlijk ongemakkelijk, maar na deze zeven doeken wilde ik meer. Meer scherpte, meer botsingen, meer licht. En meer ongemak, vooral.